Inleiding – Imperialisme

10 mrt

U zal zien dat het meeste van dit werk niet gaat over imperialisme zelf. Ik doe dit omdat de term imperialisme vaak in een vacuüm wordt gebruikt, en vaak op concrete staatsapparaten of het buitenlands beleid van bepaalde staten. Het is echter belangrijk imperialisme te zien als een historische ontwikkeling, verwant met andere ontwikkelingen, die niet samenvalt met een staat of een object, en onderdeel is van een bepaalde logica. Het doel van dit stukje tekst is dus ook vooral om die ‘logica’ bloot te leggen, en niet zozeer om imperialisme botweg te definiëren. Het is mij uit deze ervaring duidelijk geworden dat louter definiëren van imperialisme een onderneming is die weinig vrucht draagt voor een beter politiek inzicht. En dat is toch hetgeen waar we uiteindelijk naar op zoek zijn?

Een zoektocht naar imperialisme.

We zoeken naar definitie van imperialisme die ons inzicht te verschaffen in iets waarvan we wel kunnen zeggen wat er toe behoort (bijv. welke oorlogen er onder vallen), maar niet kunnen zeggen welke criteria er voor zorgen dat bepaalde historische fenomenen er toe behoren. We willen bovenal dat die criteria ons inzicht verschaffen in wat er typerend is aan de conflicten tussen staten in onze tijd. We opteren dus overtuigd niet voor een ruime of brede definitie maar een nauwe definitie. Een microscoop als het ware.

Een eerste poging.

Op het eerste zicht lijkt het niet zo moeilijk om te definiëren wat imperialisme is. Het lijkt evident om te verwijzen naar het centrale element in imperialisme: ‘imperium‘. Imperium verwijst in haar oorspronkelijke Latijnse betekenis naar de mogelijkheid om te bevelen (Latijn: imperare). Het lijkt er op dat deze ruime betekenis ergens nog bestaat, bijv. als wij spreken over ‘een crimineel imperium’. We bedoelen dan een netwerk van criminele individuen en organisaties die in hiërarchie handelingen van elkaar afdwingen. Maar we denken echter bij het woord ‘imperium’ eerder aan een specifieke soort staten, en het typische voorbeeld is bij ons in West-Europa het Romeinse Rijk (Latijn: Imperium Romanum).

Maar een of meerdere wereldrijk(en) lijkt niet genoeg om over imperialisme te spreken. Immers een ‘isme’ verwijst naar een ruimere verbreiding, een algemene trend, een ideologie, een gedachtestroom, een tijdperk o.i.d.[1]

Een tweede poging: Staten en strijd.

We moeten dus opzoek naar een algemene trend, die zich vermoedelijk bevindt in een historische periode. Laat ons voor een moment veronderstellen dat imperialisme een periode is waarin staten proberen om een imperium te worden, een groot wereldrijk te stichten. Staten komen dan met elkaar in conflict, want het grondgebied is immers schaars. De grond die jij wilt, wil jouw buurman ook verwerven. Imperialisme is in zo’n definitie van alle tijden. Historische perioden waarin dergelijke voortdurende conflicten om grondgebied voorkwamen zijn immers talrijk. We denken maar aan de oorlogen tussen het Romeinse Rijk en de Sassaniden (250-550 na Chr.), de Maya’s en haar buurvolkeren (250-900 na Chr.), de Grieken en de Perzen (400 voor Chr. – 60 na Chr.), de Turken en de Arabieren (1000 na Chr.- 1200 na Chr.) etc.

Veroveringsdrang lijkt fundamenteel aan imperialisme: Je wil meer grondgebied, en je bent bereid er met de andere staten over in conflict te komen. Toch zou ik willen beweren dat dit geen voorbeelden zijn van imperialisme. We moeten verfijnen voor een beter inzicht. Een voorbeeld om aan te tonen dat dergelijke conflicten geen imperialisme zijn: de Honderjarige Oorlog (1337-1453) tussen het Huis van Valois (bourgouis historici: Frankrijk) en het Huis van Plantagenet (bourgouis historici: Engeland) om de troon van het Westelijk Frankenrijk zoals dat was ontstaan na de opdeling van het Karolingische rijk (888 na Christus). Deze strijd ging zeker om twee ontwikkelde staatsapparaten die aanspraak maakten op dezelfde gebieden, en die daarbij retorische technieken gebruikten om hun claim te rechtvaardigen. Beide huizen bezaten al gebieden die, mits overwinning op de andere, hen de alleenheerschappij van West-Europa had gegarandeerd.

Maar ik denk dat een dergelijke omschrijving van imperialisme te weinig de ontwikkelingen in de laatste 300 jaar blootlegt, welke de term deden ontstaan. Basis: Imperialisme is een historische periode waarin staten met elkaar in conflict raken omdat zij gebieden op elkaar proberen te veroveren. Maar we moeten twee extra assumpties toevoegen: (1) de betrokken staten zijn eigenlijk niet primair geïnteresseerd in een zo groot mogelijk grondgebied en (2) de gebieden waarover gevochten wordt behoren niet tot het grondgebied van de imperialistische staten, maar tot het territorium van andere, minder machtige, staten (mits staten bestaan op dat grondgebied). De Honderjarige Oorlog is in die zin geen imperialistische oorlog: Het betrof het gebied van de twee staten zelf, en men was geïntereseerd in een zo groot mogelijk grondgebied. De reden hiervoor ligt in het specifieke nut van die gebieden gedurende de Honderjarige Oorlog: meer grondgebied betekende meer schatplichtige heren die op hun beurt de pyramide van onderdanigen dienden uit te melken. Het maakte ook niet uit welke gebieden je veroverde: alle gebieden in Europa kenden dezelfde structuur en hun verovering leverde voor een koning simpelweg meer inkomsten op. Als je het graafschap Holland kon verwerven, het koninkrijk Bohemen of graafschap Navarra, het maakte niets uit. Alle gebieden zagen er (ideaaltypisch) in de middeleeuwen hetzelfde uit.  Imperialisme veronderstelt daarom een derde zaak: (3) Staten zijn wel degelijk geïnteresseerd in de zeer specifieke economische kenmerken van het betroffen gebied. Het wordt nu steeds duidelijker dat het imperialisme geworteld is het kapitalisme, maar ik wil haar historisch schetsen voor ik haar poneer.

Imperialisme en haar voorgangers.

Imperialisme kent een zekere affiniteit met eerdere historische fenomenen, die inzicht in imperialisme kunnen verschaffen. We beginnen bij de stadsstaat, zoals die bijv. bestonden in klassiek Griekenland, de late Europese middeleeuwen, en de Islamistische middeleeuwen. De stadsstaat ontstond als verzamelplaats van handelaars op een veilige plek zoals die vaak werd gecreeërd door militaire aanwezigheid. Handel werd gedreven met andere (proto-)steden en het omliggende platteland. De handelaars van een stad hadden vaak een symbiotische relatie met de militairen: zij verschaften de militairen de goederen en diensten die zij nodig hadden, en de militairen gaven hen de goederen en het geld die zij weer konden gebruiken. Niet zelden was men zowel militair als handelaar, of bewoners van de stad werden verwacht bij te dragen aan de militaire macht als reservist. De stadsstaat, zowel een economische als een militaire macht, kon het omliggende platteland, in haar onmiddelijke nabijheid, zowel economisch als militair onderwerpen. Het nut daarvan lag in de ongelijke economische relatie die hieruit kon worden voortgebracht. Was het platteland onafhankelijk, dan kon de boer zelf bepalen wat hij produceerde en met wie hij eventueel zou ruilen tegen zijn prijs. Onderwerping door een stad betekende dat in het minst ernstige geval dat hij zijn product enkel mocht ruilen in de overheersende stad, maar de kans was ook dat hij verplicht een deel moest afstaan (bijv. vroeg Mesopotamië), of dat hij een deel van zijn goederen terugkreeg in de munt van de stad (bijv. middeleeuwse Levant), danwel dat hij het volledige product moest afstaan en dat zijn eigen gezin als slaaf bezit werd van de stad (bijv. klassiek Griekenland).

Een voorbeeld: De stad Rome in de eerste eeuwen voor Christus. Zij waren in een eeuwige oorlog verwikkeld met Carthago. Na een lange oorlog vernietigden de Romeinen Carthago, maar veroverden het omliggende platteland (!) om zeker te zijn van de graanproductie die indertijd weeldig daar tierde. Carthago kon geen hoge prijzen meer afdwingen in de ruilhandel, het platteland beantwoordde nu direct aan Rome. Rome heeft na de geboorte van Christus dit idee later herhaald in het geval Egypte, de graanschuur van het Midden-Oosten. Hetzelfde geldt echter voor talloze stadsstaten, in een of andere vorm: de onderwerping van andere gebieden die zwakker zijn om een groter voordeel te kunnen verwerven uit die gebieden.

(Zoals in imperialisme) werden er vaak allianties tussen stadsstaden gesloten om het eigen belang gezamenlijk te verdedigen. Venetië of de middeleeuwse Duitse steden kenden dergelijke allianties tussen steden die het omliggende plattelanden wensten te onderwerpen.

In de vroege Europese middeleeuwen was het platteland dominant en waren de steden onderworpen aan plattelandsheren die hen door economische zwaartepunt en numerieke overwicht wisten te onderdrukken. Maar koningen en keizers, die boven de plattelandsheren stonden maar er sterk van afhankelijk waren, zagen kansen in de opkomende steden. Omdat de lokale heren zelf organiseerden wat er naar de schatkist van de koning ging, begon de koning of keizer al snel door te krijgen dat de nieuwe steden een mogelijkheid boden om hun eigen macht te verstevigen. Opkomende en groeiende steden werden vrijgesteld van de aanspraken van de lokale heren, werden vrijplaatsen voor horigen om zich te vestigen als zij waren gevlucht, en werden nu direct onderdaan en schatplichtig aan de koning of keizer. Een voorbeeld van een koning die dit proces goed onder de knie had, was bijv. Frederik I oftewel Frederik Roodbaard. Deze steden werden zogenaamde ‘koningssteden’ of ‘kroonsteden’. De steden en haar burgers overtroffen door proto-kapitalistische groei in de eeuwen heen de ‘verarmende’ lokale heren. Het staat tussen haakjes omdat de lokale niet substantieel meer of minder produceerden (ze waren altijd al ‘arm’). De stad, maar vooral ook het platteland dat onder invloed was gekomen van de stad groeidde veel sneller. In West-Europa, bijv. in Holland, werd in de vijftiende eeuw het platteland gekapitaliseerd (i.p.v. gefeodaliseerd). Land werd verkoopbaar (waar dit vroeger ondenkbaar was), en boeren werden ingeschakeld als vrije werknemer op het eerdere land. De bezitter van het land kan u wel raden: de burgers van de steden. De moderne staten, zoals zojuist beschreven met dominante steden en een centrale koning of republieke structuur, kenden een sterke groei. De slagkracht en rijkwijdte van de staten werd groter doordat de economie groeidde. Dit is de plek waar hetgeen ontstaat wat wij ‘imperialisme’ noemen.

Imperialisme.

Imperialisme is het proces waarbij nationale of pre-nationale staten zich door middel van economische en militaire onderwerping gebieden met een zwakkere economie onderwerpen, en haar economisch afhankelijk maken van de dominante staat. Hierdoor ontstaat noodzakelijk conflict tussen deze nationale staten, omdat de economisch zwakkere gebieden immers schaars zijn. Het omschreven proces begon zich voor te doen vanaf begin 16de eeuw in de Europese staten, bijv. met de VOC in Zeven Provinciën. Dit betekent echter niet dat alleen Europese staten aan imperialisme kunnen doen: het betreft een proces, een logica van conflict tussen staten, binnen het kader van het kapitalisme. Het doel van die economisch zwakkere gebieden te veroveren is tweevoudig, en krijgt soms wisselend de nadruk: 1) productiekosten drukken door goedkope productiemiddelen aan te boren, of 2) de lokale markt te domineren met de eigen producten. Beide processen ziet men al terugkomen in de relatie tussen stad en platteland, maar krijgt een nieuwe verhouding in het imperialisme. De oorsprong van beide ligt dan ook in een (proto)-kapitalisme. Wat bedoel ik dan met economisch zwakker? Ik doel hiermee centraal op een gebrek aan eigen kapitaal binnen de grenzen van een bepaald gebied, waardoor het onmogelijk wordt om zelf een zekere economische macht te ontwikkelen.

Enerzijds blijft het gebied hierdoor militair achter. Dat is echter geen reden tot verovering voor andere staten. Het gebied maakt zich vooral door goedkopere arbeid interessant voor de productie van arbeidsintensieve producten, vooral (schaarse) grondstoffen. Anderzijds moet ook gekeken worden naar de afzetmogelijkheden die het kapitalisme zoekt binnen de grenzen van een onderworpen territorium. Bijv. in de 17de eeuw had Punjab een proto-industrie ontwikkeld waar linnen werd verwerkt voor allerhande producten. De verovering van de Britten, met een superieure ontwikkeling van productiemogelijkheden, ontwikkelden al snel goedkopere linnenproducten in en voor hun eigen Britse markt. Toen deze verzadigd bleek, en de minimale kosten van linnen de bodem bleken te bereiken, werd linnen ook afgezet op de Punjabische markt (vermits hier nog een hoge prijs werd gevraagd voor linnen). Het gevolg was een hongersnood in Punjabi, vermits de markt in Groot-Brittanië voor de Punjabi al was komen te vervallen wegens hun te dure producten. De vernietiging van de eigen lokale markt bleek de totale doodssteek voor de industrie van de linnenwevers. Het voorbeeld is overigens van Eric Hobsbawm.

Marxisten hebben om de beurt verschillende onderdelen van het proces benadrukt, maar er bestaat een logische symbiotische tussen de tweede delen van het proces. Een recente school van marxisten in de sociologie/geschiedschrijving proberen de twee in een beschrijving samen te brengen. Socioloog Immanual Wallerstein stelt dat territoria historisch gezien zijn onder te verdelen in een drievoudige vorm: centrum, semi-perifaire staten, en perifaire staten. Centrum-staten produceren goederen en diensten met een hoge meerwaarde, waarvan de productie een hoge kapitaalgraad vereist. Centrum-staten proberen actief de kapitaalvoorsprong te behouden op elkaar en de periferie. Centrum-staten hebben een algemene dominante relatie ten opzichte van de perifaire staten. De perifaire staten verkopen de goedkope noodzakelijke grondstoffen aan de centrum-staten, en importeren de duurdere hoogwaardige producten uit het centrum. Hierdoor ontstaat een wereldhandelssysteem, waarin imperialisme, het veroveren van andere staten met oog op import en expert, een noodzakelijk onderdeel is willen de bourgouisie van de centra elkaar kunnen aftroeven.

Ik denk hiermee imperialisme tot op een zekere hoogte heb gedefinieerd. Ik wil het hier bij laten omdat ik denk dat er nog genoeg ruimte is om hier over te discussiëren.

Politieke praktijk.

We willen positie tegenover imperialisme innemen. Maar uit welke posities kunnen we kiezen? Dit deel van dit korte werk zal ingaan op de vraag hoe men tegenover imperialisme kan staan. Het zijn geen uitgewerkte ideologieën, meer een verzameling van ideeën die men vaak in combinatie met elkaar vindt. Ik doe mijn best ze met respect te behandelen, maar u zal natuurlijk merken dat ik dat niet kan doen.

De conservatieve/liberale benadering. In de eerste benadering gaat men er van uit dat het veroveren van staten niks te maken heeft een materiële onderbasis van winstvergroting, maar wordt gezien als een noodzakelijk onderdeel van de menselijke conditie. Oorlog is van alle tijden, en gevechten tussen wereldrijken ook. Een verzwakking, het verlies van de wil om te vechten, een decadentie, zoals de conservatieve historicus Edward Gibbon het noemde in het geval van het Romeinse Rijk, zal er voor zorgen dat imperia ten onder gaan. Men kan zich dus maar best wapenen tegen andere groepen en gebieden, want zij zijn als wolven tegenover andere mensen. U begrijpt natuurlijk dat dit volledig voorbij gaat aan de historische aard van imperialisme, en het idee probeert op te dringen dat maatschappelijke ontwikkeling in al haar vormen niet bestaat.

Een gespecialiseerde vorm van de conservatieve benadering is het idee van de ‘Clash of Civilizations’ (Huntington). Dit is het idee dat imperia feitelijk bestaan uit cultureel homogene groepen die elkaar op leven en dood zullen moeten bestrijden omdat het zien van een persoon met een andere achtergrond in uw lichaam een vorm van natuurlijke combustie veroorzaakt. U ziet mijn grap. Maar ook hier wordt een materiële onderbasis ontkend, de wereld bestaat uit ideologieën, religies en culturen die elkaar om nog onduidelijke maar natuurlijk-evidente redenen het licht in elkaars ogen niet gunnen.

De sociaaldemocratische benadering. In deze benadering spreekt men liever niet imperialisme maar ziet men enkel de concrete gevallen van uitbuiting in landen die zich in een perifaire positie bevinden. Men probeert deze gevallen van uitbuiting te remediëren door internationale afspraken vast te leggen, of morele verboden uit te spreken. Het betreft bovenal een morele maar ook incidentele benadering. Men gaat er vanuit dat ‘een bedrijf’ (Nike) of ‘een land’ (Chinese staatsmijnen) haar werkers uitbuit, maar ziet er geen groter verband achter. Als er toch een groter verband achter het bestaan van deze fenomenen gezocht wordt, heeft dit te maken met oftewel de gierigheid van de bedrijven (sociaaldemocraten), het overmatige consumentisme van Westerlingen (groenen/ethisch consumeren), of het feit dat onze nationale regeringen te weinig doen aan het veroordelen van overtredingen van het internationaal recht (christen-democraten). Geenszins is het verband materieël.

Socialistische-nationale benadering (trostskyisten/stalinisten), of de benadering van het ‘klein-imperialisme’. Hierin wordt erkend dat er een materiële basis ten grondslag ligt aan imperialisme, en de oplossing die er voor gezocht wordt is door actieve steun te verlenen aan landen die worden gezien als ‘zwakker’, ‘perifair’ of ‘meer arbeidersklasse-achtig’. Bijv. Anti-NAVO, Voor Chavez Tegen de VS, etc. Het probleem hiermee is dat onderliggend verondersteld wordt dat men in die conflicten tussen staten  iets kan terugvinden van ‘de arbeidersklasse’. Dit lijkt simpelweg niet het geval, en zelfs al zou de arbeidersklasse actief zijn betrokken in een conflict (bijv. door een sterk anti-Amerikanisme d.w.z. een verkapt nationalisme), dan is het naïef te veronderstellen dat hun participatie de belangen van de arbeidersklasse behartigt. Er zijn wat mij betreft veel tegenargumenten tegen het idee in te brengen is dat de arbeidersklasse een belang heeft bij welke staat hen overheerst, immers alle staten werken vanuit hetzelfde burgelijke dwangharnas. Verder kan men door actief te focussen op bijv. Anti-NAVO, ook als instrument werken van de bourgouisie van Venezuela, China, Iran etc. Tevens is in sommige conflicten het onduidelijk welk land ‘perifair’ of ‘zwakker’ is, omdat ook onderontwikkelde naties onder elkaar proberen om hoger op te komen in de kapitaalladder. Het idee van het ‘klein-imperialisme’, waarin de wij als socialisten een positie moeten innemen in een conflict, lijkt me dus een buitengewoon gevaarlijke en inherent zinloze bedoeling.

Ik wil nog toevoegen dat ik denk dat er ook nog een merchantilistische benadering is geweest, maar we behandelen die niet omdat die feitelijk niet meer wordt uitgedragen. Er zijn wel figuren, zoals Ha Joon Chang, die nadruk leggen op de mogelijke revivificatie van zo’n benadering. Opvallend is de sterke gelijkenis op de socialistisch-nationale benadering, en het feit dat de paradigmata (schoolvoorbeelden) van beide benaderingen altijd sterk overeenkomen.

Een internationalistische-socialistische benadering. In een internationalistisch-socialistische benadering laat men duidelijk zien dat alle staten opereren vanuit een logica die hen wordt aangegeven vanuit de regels van het kapitalisme, en die inherent is aan hun positie in het veld. Het vervangen van het ene imperialisme door het andere imperialisme is zinloos, omdat er niks veranderd is aan de regels van het internationaal kapitalisme. Het enige wat men kan doen is de arbeidersklasse radicaliseren en hen de futiliteit van het nationalisme in dit spel uitleggen.


[1] Een vergelijking om dit te verduidelijken. Het is niet omdat we iemand kunnen ontdekken in de Middeleeuwen die zijn ganse dag besteedt aan het vergroten van eerder verworven geld, dat we al kunnen spreken over kapitalisme. Om te spreken van kapitalisme moet dergelijke figuren wijdverbreid zijn, en een dominante positie innemen in de maatschappij.

Trackbacks and Pingbacks

  1. Waarom is links verdeeld? « Discussiegroep Spartacus - augustus 28, 2012

    […] Imperialisme: inleiding. L. Uit: Discussiegroep Spartacus […]

Leave a Reply