Inleiding (2) – Vakbond: vriend of vijand?

11 apr

discussie van 10 april 2012, Antwerpen

DEEL “CONTRA” VAKBOND

Zoals in de uitnodiging werd aangekondigd, gaat dit een debat zijn met een dubbele inleiding: één pro en de andere contra de vakbonden. Naïef zou men kunnen stellen dat deze inleiding tegen de vakbond is. In een zekere zin is dit ook zo, maar laat ons dit uitleggen vooraleer misvattingen ontstaan. Onze bedoeling is niet de vakbonden te demonizeren, of uit te maken als ‘slecht’ of ‘corrupt’. Dit zou veel te simplistisch zijn en het zou de dialoog niet bevorderen. Ook is dit in geen geval een aanval op alle vakbondsmilitanten die de sociale en materiële omstandigheden van de arbeidersklasse willen verdedigen en verbeteren. Er zijn genoeg mensen binnen de vakbond die het lot van de arbeidersklasse nauw aan het hart liggen en met de beste bedoelingen en grootste ernst en moeite deelnemen aan deze organisaties.

Wat we hier echter naar voor willen brengen is de vraag wat de rol van de vakbond als instelling/insituut/organisatie is in het bevorderen van de materiële omstandigheden van de arbeidersklasse in het verleden en het huidig tijdperk.

Een proletarische visie

In ons dagdagelijks gebruik word de term ‘arbeider’ vaak gedefinierd als iemand die zijn werk fysiek beleeft. Een ‘bediende’ daarentegen is iemand die vooral zijn mentale vaardigheden gebruikt i.p.v. zijn fysieke. In deze inleiding duiden we met de term ‘arbeider’, zowel ‘fysieke’ als ‘mentale’ werkers aan. In feite is de tegenstelling fysiek t.o.v. mentaal vrij ‘artificieel’ of een abstractie. In de realiteit gaan beide steeds samen.

Maar met de term ‘arbeider’ bedoelen we ook meer. Een arbeider is een persoon die genoodzaakt is zijn fysieke en mentale capaciteiten die nuttig worden geacht binnen het kapitalistisch productiesysteem (d.w.z. nuttig voor de realisatie van meerwaarde en bijgevolg voor kapitaalaccumulatie) te verkopen aan de hoogste bieder (de kapitalist) op de markt. In ruil voor zijn arbeidskracht krijgt de arbeider/arbeidster een loon in de vorm van geld, waardoor hij/zij zich in zijn/haar materiele behoeften kan voorzien.

Abstract gezien is hier niet direct iets mis mee, maar in de realiteit zijn de voorwaarden van dit ‘neutrale’ contract in het nadeel van de arbeider. Als individu staat hij machtenloos tegenover de macht van de kapitalist. Deze is eigenaar en beheerder van de productiemiddelen en heeft een overaanbod aan werkkrachten ter beschikking, die ook dezelfde noodzaak ervaren om voor een loon te werken. Als de kapitalist het productieproces simpel genoeg maakt of voldoende arbeiders goed opleidt, kan hij/zij zonder moeite een lastige, inefficiënte en/of te veel eisende werkkracht vervangen door een nieuwe.

Doordat de arbeider/arbeidster geen macht heeft over de productiemiddelen is hij/zij niet alleen genoodzaakt om te werken om te overleven, hij/zij moet zich ook onderwerpen aan de regels, beslissingen en lonen die worden voorgesteld door de kapitalisten en de marktverhoudingen.

Maar wat de arbeiders in de geschiedenis hebben begrepen is dat zij collectief in dezelfde verhouding staan tegenover het productieproces en de klasse van kapitalisten (burgerij/bourgeoisie). Zij maken deel uit van dit proces en bessefen dat zij zelfs het cruciale element in dit proces zijn (klassenbewustzijn). De eerst geatomiseerde arbeiders die overgelaten werden aan het lot van de kapitalist, beseffen nu dat ze door zich collectief te verzetten de motor van het productieproces kunnen stilleggen door het werk neer te leggen, m.a.w. een staking te organiseren. Zo kunnen zij hun eigen eisen als klasse naar voor brengen.

De arbeidersklasse draagt nog een verborgen kracht met zich mee. Dezelfde klasse die onderworpen word aan de brutaliteit van het kapitalisme heeft de kracht zich los te maken aan haar onderwerping, vanaf het moment dat de productiekrachten in de maatschappij voldoende ontwikkeld zijn. In een ‘hypothetisch’ alternatief systeem zouden zij zonder het bestaan en de invloed van kapitalistische accumulatie, winst, meerwaarde en ruil, de productie, distributie en consumptie zelf kunnen organiseren. Indien de arbeidersklasse dat realiseert, wordt het kapitalisme opgeheven, zal de kapitalist niet meer nodig zijn, en verdwijnt ook de arbeidersklasse als bijzondere klasse in de maatschappij. Dit is in tegenstelling tot het kapitalisme, waar de kapitalist de arbeiders nodig heeft om zijn meerwaarde te kunnen realiseren en de arbeiders afhankelijk zijn van hun loon dat de kapitalist hun afstaat.

Vakbonden en kapitalistische ontwikkeling

Vakbonden zijn ontstaan in de 19de eeuw als instrumenten van de arbeidersklasse om hun economische omstandigheden van uitbuiting binnen het kapitalisme te verzachten/te verbeteren. Het is vanuit deze invalshoek dat we de vakbonden tegenover de arbeidersklasse moeten analyseren.

Structureel zijn vakbonden dus vanaf het begin beperkte instrumenten van de arbeidersklasse geweest, omdat zij de arbeidersklasse binnen het kapitalisme verdedigen. Ze volgt daarbij de structuren van het kapitaal en organiseert zich bijgevolg per sector, per regio en per land. Ze zijn dus niet ontstaan als instrumenten voor de omverwerping van het kapitalistisch systeem en de creatie van een nieuwe maatschappij. Wij zijn van mening dat deze organisaties hun legitimiteit hadden zolang het kapitalisme ‘bloeide’ en werkelijke verbeteringen binnen het kapitalisme afdwingbaar waren door de arbeidersklasse en hun vakbonden.

Maar vandaag leven we in een periode van kapitalistisch verval. Wat hieronder wordt verstaan en welke oorzaken dit verval heeft, willen we hier niet bespreken, maar kunnen in deze of een volgende discussie aan bod komen. Er zijn verschillende verklaringen voor dit verval, maar één ervan is dat het kapitalisme geen solvabele (betaalkrachtige) markten meer vindt. Dit leidt ertoe dat het kapitalisme in crisis komt en ze ook geen voldoende overschotten of winsten meer boekt, zelfs verlies maakt, al is dit op allerlei manieren verdoezelt. Het concrete effect daarvan is dat de burgerij niets meer wil en kan afstaan aan de arbeiders die strijden voor betere levensvoorwaarden binnen het kapitalisme. In tegendeel, de crisis van het kapitaal leidt tot een drastische verslechtering van de levensvoorwaarden van de arbeiders en alle andere niet-uitbuitende klassen. Strijd in het kapitalisme in verval om betere levensvoorwaarden is dus meer dan ooit nodig. Tegelijk is er nu echter de onmogelijkheid om permanente verbeteringen af te dwingen, aangezien het kapitalisme niet meer hervormd kan worden in het voordeel van de arbeiders. Reformistische eisen leiden dus steeds opnieuw tot teleurstellingen als deze als enigste uitweg worden geacht.

Daarom lijkt het ons meer dan tijd om een nieuwe emanciperend perspectief naar voren te brengen. We noemen dit perspectief communisme. Deze term is helaas vaak slecht begrepen, omdat ze onterecht, maar begrijpelijk geassocieerd wordt met het stalinisme m.a.w. de staatskapitalistische regimes in Rusland, China, Cuba… Het communisme is geen abstract ideaal of een ver liggende utopische maatschappij, nog een blauwdruk waarin de samenleving moet worden gewrongen. Het is een beweging vanuit de arbeidersklasse die als doel heeft de arbeiders van alle landen te verenigen en naar een noodzakelijke oplossing zoekt voor de huidige problemen waarin de mensheid vertoeft.

“In de plaats van de oude burgerlijke maatschappij met haar klassen en klassentegenstellingen treedt een associatie, waarin de vrije ontwikkeling van een ieder de voorwaarde is voor de vrije ontwikkeling van allen.”[1]

Maar hoe zit het nu met de vakbonden? Zijn zij een goed instrument om tot deze nieuwe maatschappij te komen? Zoals gezegd is het doel van de vakbond voor hervormingen binnen het kapitalisme te strijden en niet voor een nieuwe (communistische) maatschappij. De structuur van de vakbond is daarvoor helemaal niet aangepast. Om tegenover een internationaal kapitaal te strijden is een verdeling van de arbeiders in sectoren en nationale staten nefast. De vakbonden zijn echter niet verdwenen en het lijkt o.a. daardoor dat ze nog nuttig zijn voor de arbeiders. Om die reden heeft de kapitalistische klasse dit instituut dat oorspronkelijk een instrument was van de arbeidersklasse tot haar eigen instrument gemaakt om de arbeidersstrijd beter te kunnen controleren en de illusie naar voor te brengen dat de belangen van burgers en proletariërs nog steeds verenigd kunnen worden, terwijl dat niet meer het geval is. Deze verschuiving van een werkelijk nuttige organisatie voor het proletariaat naar een remmende kracht in de arbeidersstrijd heeft zich ongeveer voltrokken in de beginjaren van de 20ste eeuw. In 1914 bewijzen de vakbonden hun failliet doordat ze deelnemen aan de eerste wereldoorlog, waarvan we denken dat het in geen geval de arbeiders hun belangen ten goede kwam.

We zagen dan ook dat sinds 1900 andere vormen dan vakbondsstrijd weer populair werden onder de arbeiders. Onder deze horen de arbeidersraden (sovjets), waarvan de motor en basis de algemene vergaderingen zijn, die we in de protestbewegingen van het afgelopen jaar (2011) vaak opkwamen (Indignados, Occupy, Egypte, Spanje, Griekenland…)

Enkele vragen voor de discussie:

  • Waarom is arbeidersstrijd (on)belangrijk?
  • Hoe hebben arbeiders zich in de geschiedenis zoal georganiseerd? Welke doelstellingen hebben ze in hun verschillende strijdbewegingen gesteld? Welke gelijkenissen en verschillen zijn er met de strijdbewegingen van 2010-2011-2012?
  • Hoe zijn vakbonden ontstaan? Welke rol speelden ze in sleutelmomenten van de geschiedenis van de arbeidersbeweging (1830, 1848, 1870, 1905, WOI, 1917 – 1924, 1929, 1933, WOII, 1956, 1968, 1980…)? Hoe is de organisatie van vakbonden in de geschiedenis verandert?

Sal & Yann /april 2012

[1] Marx, K. & Engels, F. (1848). Het Communistisch Manifest. (20e druk). Amsterdam: Uitgeverij Pegasus. p. 71

No comments yet

Leave a Reply