Inleiding ‘Water, het blauwe goud? Over vloeibare tekorten.’

7 mrt

De strategische waarde van het blauwe goud

  1. Wat is dat, het ‘blauwe goud’?

De term het ‘zwarte goud’ zal de meesten van ons niet vreemd in de oren klinken en wellicht zijn de meesten er ook mee bekend dat hiermee aardolie bedoeld wordt. Sinds de eerste grote ontginningen van aardolie in de Verenigde Staten van Amerika maakte de wereld kennis met het toenemende belang van deze energiebron en heden wordt meer dan veertig procent van de totale energiebehoefte van onze groene planeet gedekt door het gebruik van aardolie. Vooral in de tweede helft van de voorbije eeuw heeft het bezit van en vooral de mogelijkheden tot het verdelen van aardolie voor meerdere conflicten gezorgd, al dan niet beslecht met militaire of economische middelen. En daarbij hebben we het nog niet over de impact van de winning, de distributie en vooral de consumptie van aardolie. Tot dusver deze kleine beschouwing over de waarde en het belang van het ‘zwarte goud’.

Een term die de laatste jaren meer ingang heeft gevonden, is het ‘blauwe goud’ en daarmee wordt een vloeistof aangeduid die we als vanzelfsprekend beschouwen, vermits het reeds sinds het ontstaan van alle leven gratis en voor niets uit de hemel komt vallen: water. ‘Water is de bron van alle leven’ is een populaire uitspraak, van tijd tot tijd ook wel eens gebruikt voor commerciële doeleinden, maar dit gezegde is zeker niet uit de lucht gegrepen. Het aardoppervlak is voor zeventig procent bedekt met water, maar slechts 0.25 procent daarvan is geschikt voor drinkwater. Met een exploderende wereldbevolking zal de vraag naar drinkbaar water slechts toenemen en met het zich op deze steeds prangender problematiek worden we er haast genadeloos mee geconfronteerd dat de voorziening van drinkbaar water geen ‘natuurlijke’ vanzelfsprekendheid meer is, maar een waardevolle grondstof die steeds moeilijker verkrijgbaar zal zijn voor steeds meer mensen. Daarbij moet er aan toegevoegd worden dat het niet slechts over ‘drinkwater’ gaat, maar over ‘drinkbaar water’, dus water dat voldoende gezuiverd is dat het door elk mens gedronken kan worden zonder de gezondheid in gevaar te brengen. De ongeziene toename van de wereldbevolking zorgt uiteraard voor een stijgende vraag naar zuiver drinkwater en dramatisch genoeg neemt de populatie het meeste toe in gebieden waar de watervoorziening net het moeilijkste verloopt.

Onderzoek door de Verenigde Naties heeft uitgewezen dat heden reeds meer dan een miljard mensen het moeten stellen zonder voldoende gezuiverd drinkbaar water. En de prognoses naar de toekomst toe zijn niet van die aard om tot veel optimisme aan te zetten: tegen 2017 (binnen drie jaar dus) zou reeds zeventig procent van de totale bevolking van het aardoppervlak problemen ondervinden bij het verkrijgen van voldoende gezuiverd drinkwater en tegen 2025 verwacht men dat veertig procent van de bevolking in gebieden zal leven waar een tekort aan water heerst. Deze beangstigende cijfers maken ons zonder meer duidelijk dat het verkrijgen van gezuiverd drinkwater even goed als de vrije meningsuiting, een rechtvaardige distributie van voedsel, het verstrekken van volwaardige medische hulpverlening aan iedereen en de toegang tot onderwijs voor elk kind een universeel menselijk recht is. Maar gezien de haast onbetaalbare waarde van het ‘blauwe goud’ zijn er jammer genoeg politieke en financiële belangengroepen die op een uiterst onmenselijke wijze de distributie van drinkbaar water trachten te monopoliseren en voor het eigen gewin te gebruiken. Het voorzien van zuiver drinkwater voor elke mens is een strijd die nog verre van beslecht is en nog veel zweet en tranen, en hopelijk geen bloed, zal kosten voor we daar een rechtvaardige oplossing voor hebben gevonden.

In welke mate draagt de individuele mens, of bij uitbreiding een leefgemeenschap zelf verantwoordelijkheid voor het duurzaam omspringen met zuiver water?

In onze contreien, waar we door het klimaat rijkelijk voorzien worden van de toevoer van regenwater dat op een professionele manier gezuiverd wordt door de zuiveringsinstallaties, zijn de oproepen tot het duurzaam omgaan met drinkwater zeker geen overbodige zedenlessen. Wanneer we nog maar slechts een kraan laten lekken, verliezen we reeds vijftig liter water per dag en een WC die blijft doorstromen, zorgt voor een verlies van vijfentwintig liter per uur. Dit zijn slechts twee voorbeelden van de haast waanzinnige manier waarop we dit kostbare goed verspillen en de oproepen vanuit de overheid aan elk particulier individu hier zijn verantwoordelijkheid voor op te roepen, zijn zeker niet uit de lucht gegrepen. Gelukkig duiken er meer en meer initiatieven op om het sanitair te spoelen met regenwater en tracht men het gebruik van kraantjeswater in onderwijsinstellingen te promoten. Deze initiatieven zullen nog niet meteen voor een mentaliteitswijziging bij de bevolking als waterconsument zorgen, maar zijn alvast lovenswaardige initiatieven die ons kunnen laten nadenken over een duurzamer beheer en gebruik van de kostbare vloeistof.

De eerste paragraaf als bedenking bij deze vraag ging over het waterverbruik in onze eigen ‘vochtige’ contreien, maar hoe zit het met het beheer van drinkbaar water in gebieden waar ze heel wat minder gezegend zijn met het water dat uit de hemel valt? Eerder schreef ik reeds dat meer dan een miljard aardbewoners het moeten stellen zonder voldoende verschoond drinkwater. Een ‘natuurlijk’ watertekort is daar heus niet de enige oorzaak van: maar liefst zeventig procent van het voorradige drinkwater wordt aangewend voor het gebruik van irrigatie, een beproefde techniek die reeds van oudsher door de mens wordt toegepast om in zijn of haar eigen voedselproductie te kunnen voorzien. Helaas wordt die irrigatie in veel gebieden op zo’n ontoereikende manier toegepast dat het meeste water verloren gaat voor het de planten kan bereiken en hierdoor levert het systeem ook geen afdoende oogst op. Door te wijzen op dit mislukt irrigatiesysteem kan men de groepen, leefgemeenschappen die het toepassen met de vinger wijzen, maar dikwijls hebben zij geen andere keuze dan deze toepassingen. Een toegepaste begeleiding van deze leefgemeenschappen voor een duurzamer beheer van het gezuiverd water dat zij tot hun beschikking hebben is meer dan aangewezen.

Waarom is het geen universele vanzelfsprekendheid dat verschoond drinkwater voor elk mens gratis en vrij toegankelijk is, gegarandeerd door (lokale) overheden?

Waar je zou verwachten dat elk weldenkend mens het luidend eens over is, namelijk dat de toegang tot het zuiver drinkwater voor iedereen kosteloos en vrij toegankelijk zou moeten zijn, lijkt dit (in feite wraakroepend) in de realiteit geen vaststaande vanzelfsprekendheid te zijn. Het is ronduit onrechtvaardig om individuele mensen of (kleinere) leefgemeenschappen tot de orde te roepen betreffende een duurzaam waterbeheer, wanneer het in de realiteit blijkt dat niet eens alle (lokale) overheden of (ge)national(iseerd)e instituten automatisch kunnen voorzien in een vrije toegang tot de vloeistof voor al hun burgers. Deze schrijnende toestanden confronteren ons met de onbetaalbare waarde van het ‘blauwe goud’: net zoals met het ‘zwarte goud’ gebeurde, proberen belangengroepen – in het belang van grote particuliere bedrijven die hierin een zeer winstgevende handel in zijn gaan zien – de voorziening van drinkbaar water te monopoliseren en tegen steeds hogere prijzen te verkopen.

Wereldwijd zien we hoe men steeds meer de voorziening van het gezuiverd water tracht te privatiseren, wat betekent dat het gebruik ervan een steeds zwaardere kost voor de kleine leefgemeenschappen of individuele gebruiker zal eisen. Helaas moeten we niet veel moeite doen om een bijna eindeloze reeks van schrijnende voorbeelden te vinden over de wijze waarop grote bedrijven en gewiekste ondernemers er steeds maar in slagen om het beheer en de distributie van kostbaar water op een slinkse wijze naar hun hand te zetten. Eén van de grootste ‘waterbaronnen’ ter wereld vinden we ironisch genoeg in het paradijs van de oliebaronnen bij uitstek: Texas. Een zekere Thomas Pickens bezit een ranch van liefst 68000 hectare in Texas met volledige rechten op het ondergrondse water in dat gebied. Via het bedrijf Mesa Waters kan hij jaarlijks voor 165 miljoen dollar aan water verkopen. In diezelfde Verenigde Staten van Amerika verkopen bewoners van het platteland hun uitgebreide gronden met bijhorende waterrechten aan multinationals die hun eigen watervoorziening in eigen beheer willen kunnen houden. Het gaat hierbij dan om groot-bedrijven die voor hun productie afhankelijk zijn van de voorziening van water, zoals onder meer Nestlé en Royal Dutch Shell (laatstgenoemde heeft een groot deel van de rechten op grondwater overgekocht in de Amerikaanse staat Colorado).

De praktijken tot het verkrijgen van het beheer van en het monopolie op de distributie van water door multinationals zou vanzelfsprekend niet mogelijk zijn zonder de steun van (dikwijls machteloze lokale) overheden of invloedrijke supranationale organisaties aan de praktijken van de privatisering van het waterbeheer. Deze betwistbare wisselwerking tussen de verschillende belangengroepen zal ik verder toelichten in het derde en laatste hoofdstukje van deze inleidende tekst, maar het is overduidelijk dat de strijd om de monopolisering van watervoorziening verre van gestreden is en wereldwijd steeds meer verzet zal oproepen. In het tweede hoofdstuk deel ik wat informatie mee over internationale spanningen die het beheer van het ‘blauwe goud’ in toenemende mate stimuleert.

  1. Wateroorlogen’, realiteit of paniekzaaierij?

Specialisten, kenners zijn het over eens dat de enige heuse ‘wateroorlog’ in de geschiedenis werd uitgevochten tussen de twee stadsstaten Oemma en Lagasj in het Mesopotamië (Irak) in de zesentwintigste eeuw voor Christus. Beide entiteiten bekampten elkaar om het bezit van water in een gebied dat zij elkaar betwistten, maar dat officieel aan een lokale godheid behoorde. Door tussenkomst van de godheid konden zij via een diplomatieke weg een oplossing vinden en tot een ‘redelijke’ oplossing komen voor de verdeling van het water. Kunnen we, gezien de explosie van de wereldbevolking en de steeds nijpender watertekorten, ons ook gaan verwachten aan gewapende conflicten omtrent het beheer van water in de komende jaren, decennia? Het antwoord op deze vraag zorgt voor een serieuze polarisatie tussen deskundigen: sommigen waarschuwen voor heuse conflicten, anderen relativeren en zien in de strijd om het waterbeheer geen aanleidingen tot gewapende ontmoetingen.

In de laatste decennia van de vorige eeuw, toen het de beheerders van onze blauwe planeet duidelijk werd dat bevolkingstoename en een goede watervoorziening twee problemen vormden die hand in hand gingen, luidden belangrijke leiders uit de Derde Wereld de alarmklok betreffende de dreigende oorlogen rond het beheer van het blauwe goud. Enkele beruchte citaten van gerennomeerde leiders:

  • Anwar Sadat, president van Egypte in 1979: “Water is de enige reden waarvoor Egypte nog eens een oorlog zou kunnen beginnen”
  • Boutros Boutros Ghali, onderminister van Buitenlandse Zaken in Egypte en later secretaris-generaal van de Verenigde Naties in 1988: “De eerstvolgende oorlog in de regio gaat over het water van de Nijl”
  • Hoessein, koning van Jordanië in 1990: “De enige reden waarom we nog met oorlog met Israël zouden voeren, gaat om het beheer van water”
  • Ismael Seragedin, vice-voorzitter van de Wereldbank in 1995: “De oorlogen van de volgende eeuw gaan over water”

De op zijn minst tendentieuze uitspraken van deze invloedrijke figuren zorgden voor de nodige onrust en in het kielzog hiervan ontstond de ‘wateroorloghypothese’: water is een onschatbare hulpbron waarvoor men geen natuurlijk alternatief kan vinden en de toenemende schaarste zou nationale overheden van de landen waar een duurzaam waterbeheer in het gedrang komt kunnen aanzetten tot militair geweld om dit beheer van hun buurlanden te kunnen afdwingen. Op supranationaal niveau bestaan er te weinig juridische middelen om (potentiële) conflicten rond waterbeheer goed te reguleren, waardoor de internationale gemeenschap machteloos zou staan bij het reguleren van internationale waterconflicten.

Er zijn echter verschillende ingewijden, specialisten ter zijde die de hypothese van de wateroorlogen naar de prullenmand verwijzen. De bekendste onder hen is de Amerikaanse geograaf Aaron Wolf: hij voerde een diepgaand onderzoek naar de gewapende conflicten die rechtstreeks om waterbeheer gingen en volgens zijn hypothese heeft zich in de geschiedenis buiten het conflict van 4600 jaar geleden tussen Oemma en Lagasj in Mesopotamië geen enkele ‘rechtstreekse wateroorlog’ meer afgespeeld. En om aan te tonen dat we in de toekomst ook geen grootschalige gewapende ‘waterconflicten’ moeten verwachten, haalt Wolf een sterk economisch argument aan: de voorziening van water kan nog steeds relatief goedkoop verlopen en de kosten van een militair conflict en een (eventuele) bijhorende bezetting van een waterrijk gebied wegen niet op tegen de baten van een meer vreedzame oplossing rond de internationale verdeling van water. Verschillende landen die over de grenzen heen de waterschaarste bevechten door onder meer het nastreven van een geïntegreerde ontwikkeling van de stroomgebieden hebben daar meer bij te winnen dan elkaar te bestelen van de broodnodige vloeistoffen.

De échte wateroorlogen zullen niet op een militaire, maar wel op een economische, sociale en ook politieke wijze gevoerd worden. De overheden van minder welgestelde landen met toenemende, nijpende watertekorten bevinden zich als het ware tussen hamer en aambeeld: aan de ene kant is er de groeiende wanhoopskreet van hun toenemende bevolking(en) voor een rechtvaardige en voorspoedige voorziening door hun nationale instituten, aan de andere kant staan de vaak haast machteloze overheden onder grote internationale druk van de multinationals die in de toenemende waterschaarste een winstgevende handel hebben zien ontstaan en de distributie trachten te monopoliseren om het water tegen zo hoog mogelijke winsten te verkopen. De nationale overheden moeten samen met hun behoeftige bevolking en welwillende overkoepelende, internationale hulp- en ontwikkelingsorganisaties de handen in elkaar slaan om de hebzuchtige praktijken van de multinationals een halt toe te roepen en te zorgen dat er streng wordt toegezien op de uitvoering van dit universeel mensenrecht: elk individu en elke bevolkingsgroep moet vrij en (quasi) gratis voorzien worden van een minimum hoeveelheid bruikbaar en drinkbaar water.

  1. Beheer en distributie van bruikbaar, drinkbaar water: een economische, sociale én poitieke strijd

Hoop doet leven: op 28 juli 2010 besliste de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties dat water een universeel mensenrecht is. Maar we beseffen met zijn allen natuurlijk maar al te goed dat er nog een enorme kloof gaapt tussen deze prachtige beginselverklaring en de toepassing ervan in de praktijk. Soms worden er in de strijd om de rechtvaardige verdeling van de natuurlijke hulpbronnen opmerkelijke resultaten geboekt. Het Zuidamerikaanse land Bolivia kende in 2000 en 2005 grote sociale conflicten rond watervoorzieningen als gevolg van een regeringsbesluit om de distributie in twee grote steden volledig te privatiseren. Vanzelfsprekend nam de lokale bevolking dit niet en kwam massaal de straat op ter verdediging van hun basisrechten op watertoevoer. De sociale onvrede rond deze privatiseringen leidde in 2006 tot de presidentsverkiezing van de ‘indigeno’ Evo Morales, wat de betogers geen windeieren legde: onmiddellijk na het installeren van de nieuwe regering richtte hij een Ministerie van Water op, dat moest toezien op een rechtvaardiger herverdeling van de watervoorziening in het land. Ondanks de nobele intenties bleek het in de praktijk geen vanzelfsprekend om de watervoorziening meteen rechtmatig te herverdelen, want het ontbrak het nieuwe ministerie aan de nodige financiële en logistieke middelen om het ingewikkelde Boliviaanse systeem van watervoorziening met één pennentrek te hervormen. In de praktijk vormde de Boliviaanse watervoorziening een ingewikkeld netwerk van verschillende verstrekkers van drinkwater en irrigatiesystemen en men werd zwaar gehinderd door een verouderde wet uit 1906. De eerste resultaten van het nieuwe ministerie mochten dan eerder teleurstellend zijn, niettemin werd er een belangrijke stap gezet in de herverdeling van het bruikbare water voor elke bevolkingsgroep. Evo Morales was dan ook één van de belangrijke pleitbezorgers van de beginselverklaring van watervoorziening als universeel mensenrecht. De Boliviaanse leus “Agua es vida”, die ingang vond sinds de sociale protesten tegen de privatisering in 2000-2005, kende een mondiale weerklank en zal nog lang nazinderen op het wereldwijde forum.

De Boliviaanse casus is een mooie overwinning, maar hierdoor is de strijd tegen de privatisering van het drinkwater verre van gestreden. Op het einde van hoofdstuk 1 gaf ik het voorbeeld van de privatiseringen in de Verenigde Staten, praktijken die zich in steeds meer landen beginnen af te spelen en niet alleen ver van onze voordeur. Onder druk van grote besparingen beslissen veel Europese regering tot verregaande privatiseringen in watervoorzieningen: landen met een grote schuldenlast als Griekenland, Spanje en Portugal worden door het ‘triumviraat’ van de Europese Unie (EU), het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Europese Centrale Bank (ECB) haast gedwongen tot een verregaande privatisering van hun watervoorziening. De machteloze regeringen van deze landen buigen onder druk van deze machtige organen en kunnen een deel van hun schulden aflossen door de snelle verkoop van hun waterlicenties. In Portugal worden de consumenten op schrijnende wijze geconfronteerd met de gevolgen hiervan: de prijzen van het water zijn met een goede 400% gestegen en de consumenten klagen over een duidelijke vermindering van de kwaliteit van het drinkwater, en dit in een land waar reeds een enorme werkloosheid heerst. De Europese Unie spaart evenmin haar meer welvarende, noordelijke leden: overal streeft Europa naar de opening van de markt, waardoor de burgers zowat overal met een serieuze prijsstijging van het water worden geconfronteerd. Deze verregaande privatiseringen krijgen uiteraard een stevig duwtje in de rug van industriële lobbyisten, die op zoek zijn naar enorme winstmarges door de verkoop van water. Onderzoek heeft uitgewezen dat de privatisering van de voorziening ten koste gaat van de kwaliteit van het water, gezien het ‘blauwe goud’ voor hun slechts een speculatie-object is en geen noodzakelijke sociale voorziening.

Uiteraard groeit er meer en meer verzet tegen deze verregaande privatiseringspolitiek, niet alleen in de landen van de Derde Wereld maar ook binnen de landen van de Europese Unie. In de landen met een (dreigend) staatsbankroet komen de mensen massaal op straat tegen de toenemende waterprijzen én de dalende kwaliteit van de ‘gouden vloeistof’ en zelfs in het (nog relatief) welvarende Duitsland is meer dan tachtig procent van de bevolking voorstander van de controle van de watervoorziening door op zijn minst de lokale overheden. Buiten Bolivia zijn er nog nationale overheden die de moed hebben om weerstand te bieden tegen de verpletterende druk van de multinationals: in Nederland werd er in 2004 een wet gestemd die de privatisering van water verbiedt en in Uruguay sprak de bevolking zich via een referendum uit voor een wet die eveneens de privatisering verbiedt.

Het mag duidelijk zijn dat wanneer overheden en burgers, ondanks de loodzware druk van de grote internationale bedrijven in hun onverzadigbare honger naar monopolies op de watervoorzieningen, de moed hebben om de handen in elkaar te slaan tegen de gewetenloze privatiseringspolitiek van de watervoorzieningen, er opmerkelijke resultaten geboekt kunnen worden. Helaas behoren de bewindvoerders die echt de moed hebben om gehoor te geven aan de behoeften van hun burgers tot een bedreigde minderheid en zal er nog een lange strijd gestreden moeten worden om de beginselverklaring van de Verenigde Naties van 28 juli 2010 overal ingang te laten vinden. De grote bedrijven proberen in hun nooit aflatende zoektocht naar maximale winsten steeds op een slinkse wijze de verschillende overheden onder druk te zetten om aan hun eisen te voldoen en meer dan we zelf beseffen worden er veel te veel beslissingen in ons nadeel genomen zonder dat we er fatsoenlijk over ingelicht worden. We moeten er dus voor zorgen dat we steeds goed op de hoogte blijven van de evoluties in de beslissingen rond de voorzieningen van onze behoeften en daar steeds een krachtig signaal tegen geven wanneer die beslissingen in ons nadeel worden getroffen.

 

No comments yet

Leave a Reply