Inleiding – Ontslaggolf (Ford Genk e.a.)

5 dec

discussie van dinsdag 4 december 2012, Antwerpen

Woensdag 24 oktober 2012 stond de sluiting van Ford Genk, de grootste werkgever van Belgisch Limburg, vooraan in de kranten. Tienduizend mensen of meer, verliezen rechtstreeks of onrechtstreeks hun baan. Gehele families belanden in de werkloosheid. In 2003 sneuvelden er al bijna 4000 banen, in ruil voor het open blijven van de fabriek. In 2010 werd dan nog een looninlevering van 12,5% en meer flexibiliteit, tussen vakbond en directie afgesproken, als voorwaarde voor het openblijven van de fabriek tot 2020.[1] Het bleek uitstel van executie.

Er is echter niet alleen Ford Genk. Bij heel wat andere, vooral industriële, bedrijven in België zijn er ook ontslagen gevallen ten gevolge van sluitingen of “herstructureringen”: bij ArcelorMittal Luik vallen 800 banen[2], Dow Chemical Tessenderlo[3] sluit haar deuren met meer dan 100 ontslagen als gevolg, staalbedrijf Duferco [4] dreigt met 600 ontslagen in La Louvière, de banken Belfius[5] en ING België[6] kondigden respectievelijk het einde van 920 en 2350 banen aan, het telecommunicatiebedrijf Alcatel-Lucent wil in Namen en Antwerpen een 280 à 290 banen schrappen[7], staaldraadproducent Beckaert Zwevegem dankte in februari al 600 werknemers af[8], in augustus werden 200 extra ontslagen aangekondigd[9], in Turnhout verdwijnen bij Phillips 218 jobs[10], enz. (Het gaat hier niet eens om failissementen, maar om sluiting van vestigingen. Het aantal faillissementen in België voor het jaar 2012 heeft de 10.000 al overschreden, 3000 meer dan in 2005.[11]) Telkens zijn de slachtoffers die in België vallen maar een deel van een groter spaarpakket dat zich in verschillende landen doorzet. Ford sluit bijv. ook vestigingen in Southampton en Dagenham met het verlies van 2000 banen als gevolg. Philips[12] ontslaat wereldwijd 6500 mensen en Siemens[13] meer dan 6000, enz. Het gaat hier dus niet om een louter regionaal of nationaal fenomeen.

De sociale gevolgen van al dit banenverlies (in België en andere landen) zijn moeilijk te overzien. Armoede[14] zal toenemen, net als de risico’s op zelfdoding[15], criminaliteit[16] enz. Het gaat er niet om een doemscenario te scheppen, het gaat erom de realiteit te erkennen: “Noch lachen, noch huilen, maar begrijpen” (Spinoza).

Voor de discussie stel ik een aantal vragen voor, die naargelang wat leeft aan bod kunnen komen. Een eerste deel handelt om het waarom van de sluitingen, een tweede over perspectieven: nationalisatie, reconversie en solidariteit. In de inleiding behandel ik zo veel mogelijk vragen en aspecten die we in de voorbereiding van de discussie aanraakten. Ik haal ook enkele citaten aan van “progressieve” groepen/organisaties/stromingen die ik wil versterken of ontkrachten.

Waarom zo veel ontslagen? Waarom zo veel sluitingen en faillissementen?

Citaat uit het pamflet van de Europese actiedag van 14 november, ondertekend door de Belgische vakbonden ABVV, ACV en ACLVB en de Europese vakbondsconfederatie CES/ETUC:

“De economische en financiële crisis sleept nu al ruim vier jaar aan. We mogen niet vergeten dat de bankiers en de financiële wereld de crisis hebben uitgelokt met hun speculatief gedrag en hun vastgoedbellen. Zij houden ook de crisis in stand door te speculeren op de schuld van de staten die hen hebben gered. De staten zitten diep in de schulden omdat ze de banken er weer bovenop moesten helpen. Alles wijst erop dat we nog zullen mogen blijven opdraaien voor wat zij hebben aangericht! Het is niet aan ons, werknemers en uitkeringsgerechtigden, om hun crisis te betalen en te worden opgezadeld met een resem besparingsplannen. Het is hoog tijd dat de echte verantwoordelijken de rekening betalen en orde scheppen in het financiële systeem!”[17]

Is de sluiting van Ford Genk en andere industriële bedrijven een uiting van een internationale crisis in de sector van de automobiel of industrie? Of leiden andere sectoren net zo hard onder de algemene economische crisis?

Het aantal en de omvang van de sluitingen, ontslagen en besparingen, sluit volgens mij al uit dat het hier enkel om een probleem van de auto-industrie gaat. De “overcapaciteit”, waarmee Ford Genk en zovele andere bedrijven kampen, is niets anders dan de uiting van de overproductiecrisis van het gehele kapitalisme, dat zijn waren niet kwijtgeraakt op een niet-koopkrachtige wereldmarkt, ondanks de materiële en geestelijke noden waaronder de mondiale bevolking leidt.

Treft het probleem van de overproductie dan eerst de industriële sector en vervolgens de andere? Begon de crisis dan in 2008, 1980, 1973, 1929 of nog vroeger? Met zekerheid kan alvast worden gesteld dat in 2008 de uiteenspatting van de zeepbel in de immobiliënmarkt een wereldwijde kettingreactie heeft veroorzaakt: de financiële wereld stortte in, banken werden failliet verklaard en al dan niet gered door staatsgelden van staten die op hun beurt diep in de schulden steken. De financiële speculatie, zowel op de vastgoedmarkt als op andere, is volgens mij echter niet de oorzaak van de economische crisis, maar het gevolg ervan. Waarom zou er anders op zulk een gigantische schaal worden gespeculeerd? De speculatie is een doekje voor het bloeden, een middel om de insolvabiliteit (onvermogen om te betalen) van het globale systeem te verbergen en een schijn van kapitaalsaccumulatie te behouden. De tragedie is dat wanneer het geloof in fictief kapitaal ophoudt, dit haar weerslag heeft op de “reële economie” en dus op de werkgelegenheid, lonen en arbeidsritmes, zowel aan de lopende band als aan de bureau’s.

Is de sluiting van Ford Genk en andere industriële bedrijven een uiting van het failliet van het “Fordisme” en “Taylorisme”?

Het Fordisme en Taylorisme zijn varianten van de zogenaamde wetenschappelijke bedrijfsvoering[18], d.w.z. theoriën van werkdiscipline en werkorganisatie, gebaseerd op “wetenschappelijke” studies. Naar mijn mening gaat het hier om ideeën en methodes die uit de noodzaak van de kapitalistische concurrentie zijn ontstaan. In deze context moeten bedrijven hun waren zo goedkoop mogelijk verkopen. De waarde van waren wordt bepaald door de maatschappelijke arbeidstijd die nodig is voor de productie ervan. Een hogere “efficiëntie” betekent voor de kapitalist: zo veel mogelijk produceren in zo weinig mogelijk tijd om zo veel mogelijk te verkopen in zo weinig mogelijk tijd. Hoe beter deze “efficiëntie”, hoe steviger de concurrentiepositie voor het bedrijf. Zo lang het kapitalisme blijft, zo lang zal ook het streven naar dit soort efficiëntie blijven. Deze “efficiëntie” staat natuurlijk diametraal tegenover een zo goed mogelijk product maken in een aangename en gezonde werk- en leefomgeving.

Welke perspectieven?

Volgend citaat komt van de website Marxist.com, de internationale site van de International Marxist Tendency (IMT), een belangrijke afscheuring van de Comittee for a Workers’ International, de internationale organisatie/groep waartoe ook de Linkse Socialistische Partij (LSP) behoort in België. Het drukt klaar uit, waarvoor ook de LSP staat:

“Nationalisation of the Ford factory is nevertheless the best solution for the workers. An alternative plan of production for environmentally friendly vehicle manufacturing oriented towards the development of public transport should replace actual production. And for this, the factory cannot be run on capitalist or bureaucratic lines. It must be put under workers’ control and management – put in the hands of the workers, the government and representatives of the consumers.”[19]

Kan een nationalisatie van het bedrijf een omschakeling katalyseren van een bedrijf gebaseerd op winstbejag, naar een ecologisch en sociaal duurzaam bedrijf?

Als bedrijven hun vestigingen sluiten dan is dit geen kwestie van slechte wil of een overdreven hebzucht, maar in de eerste plaats van moeten, indien ze niet failliet willen gaan en hun concurrentiestatus willen behouden of versterken. Ditzelfde principe geldt voor nationale staten. Het is geen kwestie van gebrek aan politieke moed dat regeringsleiders ervan weerhoudt om bedrijven te ondersteunen, of zelfs geheel te nationaliseren, maar van belangenafweging en capaciteit: indien een staat in het belang van haar nationale economie een voordeel of een laatste redmiddel ziet in nationaliseren zal ze dit doen, als ze daartoe in staat is. Nationalisatie is dus in geen geval een anti-kapitalistische maatregel.

Een voorbeeld. De Algemene spaar- en lijfrentekas (ASLK), opgericht in 1865, was steeds een bedrijf van de Belgische staat, tot ze in 1980 een privaat statuut kreeg en in 1998 volledig werd overgekocht door de Belgisch-Nederlandse bank Fortis[20], die op zijn beurt werd genationaliseerd in 2008: in Nederland gebeurde dit samen met de nationalisatie van ABN Amro[21]; in België werd het grootste deel doorverkocht aan de Franse bank BNP-Paribas.[22] De PVDA+ stelt hierbij de volgende (retorische?) vraag: “Voor de banken haalden ze direct geld boven en waarborgde ze zowat alles. Waarom kan dat voor ons niet?”[23](Wie “ze” en “ons” precies zijn, is me niet duidelijk.) Waarom hanteert de PVDA+ niet dezelfde logica voor de banken als voor andere bedrijven? Als “progressieve” partijen denken dat ondersteuning door de staat of nationalisatie jobs kan redden, waarom zijn ze dan niet blij dat de Belgische staat de jobs in de bankensector en de hard verdiende spaarcenten van heel wat arbeiders hebben “gered”?

Indien de Belgische staat Ford Genk of een ander bedrijf niet nationaliseert dan is dat ofwel, omdat ze er meer nadelen dan voordelen in ziet, ofwel, omdat ze dat niet kan, bijv.  omdat de belangen van andere staten en hun bedrijven anders zijn dan de Belgische, waardoor vestigingen verhuizen naar gunstiger plekken. Ford sluit bijv. een vestiging in Genk en opent er één in Valencia, want daar liggen de lonen ontzettend veel lager. Ondermeer om die reden schreeuwen werkgeversorganisaties VBO, Voka en Unizo om lagere lonen, opdat bedrijven in België zouden blijven.

Akkoord, de LSP, IMT en andere “marxisten” stellen geen gewone nationalisatie voor, maar één onder arbeiderscontrole. Wat betekent dit echter? Betekent dit dat de arbeiders de fabriek moeten overnemen om ze vervolgens aan de staat af te geven? Moeten de arbeiders hun fabriek dan zelf beheren met geld van de staat? Friedrich Engels argumenteert echter in het boek “Anti-Dühring” tegen zulke visie:

“Maar noch de verandering in maatschappijen op aandelen noch de verandering in staatseigendom heft de kapitaaleigenschap van de productiekrachten op. Bij de maatschappijen op aandelen ligt dit voor de hand. En ook de moderne staat is op haar beurt slechts de organisatie die de burgerlijke maatschappij zich verschaft, om de algemene uiterlijke voorwaarden van de kapitalistische productiewijze in stand te houden tegen aantasting, zowel door de arbeiders als door de individuele kapitalisten. De moderne staat, onder welke vorm ook, is een in wezen kapitalistisch werktuig, de staat van de kapitalisten, de ideële universele kapitalist. Hoe meer productiekrachten hij als eigendom overneemt, des te meer wordt hij werkelijk universeel kapitalist, des te meer staatsburgers buit hij uit. De arbeiders blijven loonarbeiders, proletariërs. De kapitaalverhouding wordt niet opgeheven, zij wordt veeleer op de spits gedreven.”[24]

Betekent dit een einde van de auto of zelfs van een ecologisch onduurzame economie? Opent het deuren naar een “groene”, gedecentraliseerde, lokale en/of kleinschalige economie?

Het kapitalisme is een maatschappij gebaseerd op de uitbuiting van de arbeidersklasse. Deze ene bijzondere sociale verhouding, deze productieverhouding, geeft de toon aan voor de gehele maatschappij. Zolang de mensen elkaar uitbuiten, zolang zal ook de overige natuur worden uitbuiten. De sluiting van particuliere bedrijven, zelfs het opzetten van ecologisch verantwoorde bedrijven, veranderen niets aan deze dominerende productieverhouding. Hoe “groen” de bedrijven (genationaliseerd of niet)  zich ook kleuren, zij kunnen zich niet ontdoen van de wetten van het kapitalisme, dat vandaag in zijn vervalfase verkeert. Dit betekent dat bedrijven winst moeten blijven maken, d.w.z. meerwaarde moeten onttrekken aan de arbeiders en die meerwaarde realiseren op de markt om kapitaal te blijven accumuleren. Dit doen ze vandaag de dag in de context van een verzadigde wereldmarkt, verscherpte internationale concurrentie, een aanhoudende economische crisis, wat leidt tot een zo goed als permanente economische en militaire oorlogvoering. Dit alles dwingt tot een snelle en “korte termijn-productie”: het maken van “junk”-producten, veiligheidsrisico’s nemen, verlieslatende milieu-maatregelen weigeren…

Zal de verontwaardiging van de bevolking/arbeiders zich uiten in strijd? Hoe solidair zijn met de slachtoffers/met elkaar? Welke strijd en solidariteit biedt perspectieven op een waardige toekomst?

Op 11 november stapten 20 000 mensen onder regie van de vakbonden mee in een “Mars voor de toekomst”. [25] Op 14 november vond een “Europese actiedag voor solidariteit” plaats, georganiseerd door de Europese vakbondsconfederatie (ETUC).[26] Grote stakingen vonden plaats in Spanje, Portugal, Italië en Griekenland. In Frankrijk en verschillende Oost-Europese landen zijn betogingen gehouden en in nog andere landen zijn acties gehouden. In België was er een optocht van 1500 mensen naar de Wetstraat en verschillende ambassades en “Er waren ook informatievergaderingen in tal van bedrijven en in Wallonië gingen heel wat bedrijven plat door een 24-urenstaking en waren er grote betogingen in Luik en La Louvière. Meest zichtbaar was natuurlijk de gedeeltelijke staking bij het spoor die het treinverkeer grondig verstoorde.[27]

Verdriet, woede, hopeloosheid en een groot gevoel van onmacht werden breed uitgesmeerd door kranten, radio en televisie. Toch heerste dit gevoel niet overal in Europa, laat staan in België. Waarom sloeg de verontwaardiging echter niet om in hoop,  zoals in de beweginen van Occupy en Indignados, Noord-Afrika en het Midden-Oosten? Waarom heerste uitzichtloosheid en onmacht? Het verschil met de hoopgevende bewegingen lag hem volgens mij vooral in de versplintering van de strijd in regio’s, naties, sectoren, bedrijven, toeleveranciers, leeftijden… ondanks de algemeenheid van de crisis. Een bijeenkomen van de slachtoffers had een vertrouwen in eigen kracht kunnen geven, had kunnen tonen met hoeveel we in hetzelfde schuitje zitten en had onderlinge discussie mogelijk gemaakt over een alternatief op dit bankroete systeem. Het had vertrouwen kunnen geven in eigen kracht en een uitbreiding van de strijd kunnen stimuleren. Op zulk een voedingsbodem had actieve solidariteit kunnen groeien.

Waarom dit bijeenkomen en breken van isolement niet gebeurde ligt volgens mij aan de manoeuvres die de vakbonden organiseerden.  Want waarom werd de “Mars voor de toekomst” niet op 14 november in Brussel gehouden, centraal oord in dit land, een plek waar crisis-slachtoffers, stakers, betogers uit alle delen van het land, uit verschillende bedrijven en uit verschillende landen zich kunnen vinden, hun solidariteit met elkaar verklaren en samen perspectieven kunnen ontwikkelen voor een eengemaakte strijd? Waarom reden bovendien de treinen niet op een dag waarop arbeiders elkaar moeten vinden en niet in hun eigen hoekje moeten blijven? Waarom werd Ford Genk zo sterk belicht, terwijl de andere ontslagen, sluitingen en faillissementen in de achtergrond werden geduwd?

Wat is solidariteit? Een schouderklopje geven aan de sukkelaars en hen toefluisteren dat het allemaal wel goed komt? Of met elkaar strijden over alle grenzen heen tegen de ellende en zo een perspectief geven aan onze bewuste en zelfgeorganiseerde strijd, de strijd van het proletariaat voor een fundamenteel andere maatschappij?


One Response to “Inleiding – Ontslaggolf (Ford Genk e.a.)”

  1. Yann december 6, 2012 at 12:37 pm #

    Blijkbaar is toch niet voornamelijk de industriële sector aangetast door de crisis:
    18.800 emplois perdus: hécatombe pour le secteur privé en 2012
    (18.880 banen verloren: slachting voor de private sector)
    http://www.lesoir.be/133327/article/economie/2012-12-06/18800-emplois-perdus-h%C3%A9catombe-pour-secteur-priv%C3%A9-en-2012

    Daarbij moet gezegd dat vele ontslagen die ik vernoem, nog niet zijn doorgevoerd, maar enkel aangekondigd. De industrie is dus niet de eerste sector die wordt aangetast.

    In het artikel wordt ook benadrukt dat vele banen blijven bestaan, enkel omdat de staat ze subsidieert. Een deel van de tewerkstelling is dus al in handen van de staat (genationaliseerd). Om maar te zeggen dat Engels’ citaat niet aan actualiteit inboet. De staat is en blijft vandaag de grootste kapitalist, de “universele” kapitalist.

Leave a Reply