Inleiding – Technologie & samenleving

18 apr

In onze hedendaagse samenleving is techniek alomtegenwoordig. Niemand ontsnapt aan technologie. Zelfs wie zich niet bezighoudt met automechanica, chemie of computers, komt onrechtstreeks met technologie in aanraking. Het voedsel dat we eten, de kleding die we dragen, of het nieuws dat we ontvangen, bij zowat alles wat we op een doordeweekse dag ondernemen komt techniek kijken. Onze samenleving is niet alleen van techniek doordrongen, ze is er ook sterk afhankelijk van.

Een terecht onderwerp voor discussie dus, aangezien de veranderende rol van techniek heel wat politiek relevante vragen oproept. Alvorens we tot een discussie hieromtrent overgaan, wil ik in deze inleiding kort één en ander vertellen over technologie en techniek (twee begrippen die ik overigens als synoniem zal hanteren).

Techniek is een dermate ruim begrip dat het in eerste instantie een erg brede omschrijving vraagt. Als vertrekpunt stel ik voor techniek te definiëren als manieren waarop de mens zich niet-levende natuur ter dienste maakt en inschakelt om behoeften te bevredigen of ander handelen mogelijk te maken.(1) Het betreft, anders gezegd, mechanische manipulaties van de omgeving.

Het draait bij techniek dus om de toepassing van (wetenschappelijke) kennis op fysieke materialen, om op die manier praktische zaken te verwezenlijken. Daarbij zorgt techniek voor een ‘veruitwendigde’ versterking van de natuurlijke capaciteiten van de mens. Datgene waar de mens dankzij biologische gegevenheden toe in staat is, wordt door middel van techniek uitvergroot of aangevuld. Met een hamer kan men harder slaan dan met blote vuisten. De hamer vervangt de menselijke hand en maakt de slagen krachtiger. Techniek zorgt voor uitvergroting, het maakt de mens tot reus. Techniek is een door de mens gecreëerd verlengstuk van de mens.(2) Tot daar deze eenvoudige en (veel te) ruime definitie.

Een belangrijke historische vaststelling is dat technische creaties doorheen de geschiedenis steeds vernuftiger en complexer zijn geworden. Onze vroege voorouders maakten stenen tot bruikbare werktuigen en dierenhuiden tot primitieve kleding, terwijl de eerste landbouwers gebruik maakten van irrigatie-kanalen, pompsystemen en eenvoudige landwerktuigen. Later wisten mensen nieuwe energiebronnen te ontginnen, door de beweging van wind en water aan te wenden. De grootste en meest ingrijpende technische vernieuwingen kwamen op in de late 18e eeuw, aan het begin van wat nu de industriële revolutie wordt genoemd, in uiteenlopende domeinen als mijnbouw, productie en transport, met als voornaamste drijfveer de opkomst van stoomkracht. Wetenschappelijke ontdekkingen in chemie, fysica en geneeskunde maakten allerlei nieuwe technische toepassingen mogelijk. Zeker in de twintigste eeuw heeft technologisch vernuft een ongekende ontwikkeling meegemaakt. De recentste revolutie of golf is die van digitale technologie: bij steeds meer verschillende technische toepassingen spelen computers in verschillende vormen en maten een belangrijke rol.

Wat de schaal betreft, gaan deze ontwikkelingen twee richtingen uit. Aan de ene kant, op het micro-niveau, worden de mechanische manipulaties van de omgeving steeds kleiner. Zowel apparaten als onderdelen ervan worden tot op microscopisch niveau verfijnd. Anderzijds bouwt de mens op macro-niveau megalomane constructies in elkaar, waarbij technologische vernieuwingen tot een ongekende omvang uitgroeien. Dit zowel in fysieke grootte (gebouwen van honderden meters hoogte), als in reikwijdte (door ruimtesondes die ons zonnestelsel verlaten, met behulp van bommen met ongekende destructiecapaciteiten, of via het opwekken van straling die duizenden jaren actief blijft). Het belangrijkste hierbij is echter wat ik de intensiteit van de technieken zou willen noemen. Zowel op micro- als op macro-niveau, worden de steeds complexere technologische innovaties intenser, waarmee ik bedoel dat hun mogelijke impact op de omgeving enorm toeneemt, zowel voor mens als milieu. Deze toename aan intensiteit verwijst dus naar de grote invloed van de mens op zijn omgeving via technologie, wat eveneens tot allerlei onvoorziene (en ongewenste) gevolgen kan leiden.

Het is dan ook met betrekking tot intensiteit dat de voornaamste morele en politieke vraagstukken omtrent technologische ontwikkelingen de kop op steken. De mens ‘doet aan technologie,’ manipuleert zijn omgeving op dermate doorgedreven wijze, dat de gevolgen ervan niet altijd te overzien zijn, waardoor bepaalde vormen van technologie zelf in vraag gesteld kunnen (of moeten) worden.

Na deze korte maar manke definitie van techniek en alvorens te discussiëren over de rol ervan, wil ik kort nog enkele belangrijke kenmerken belichten.

Eerder in dit betoog ging het over techniek als uitvergroting van de mens. Via techniek vergroten we onze greep op de omgeving. Dit impliceert een zekere mate van externalisatie of veruitwendiging, waarmee bedoeld wordt dat de handelingscapaciteit buiten het individu komen te liggen. In het voorbeeld van de hamer wordt dit snel duidelijk: de slagkracht die door de hamer wordt vergroot, is extern aan de mens. Dit geldt echter evenzeer voor geheel andere technologische ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld het schrift. Via het schrift, is de mens in staat kennis vast te leggen buiten zijn eigen hoofd. We zijn niet langer louter aangewezen op ons geheugen, maar zijn nu in staat kennis en ervaring in een externe drager op te slaan.(3) Of het nu gaat om een mechanische vergroting van spierkracht, of een toename van mentale capaciteiten, techniek zorgt voor externalisatie.

Belangrijk bij deze veruitwendiging door techniek, is dat er ook technische normen tot stand komen. De mens, die zijn omgeving modelleert met behulp van technologie, schept via deze techniek externe beperkingen en regels. In heel wat techniek zit als het ware een bepaalde gebruikswijze ingeschreven, een script dat de gebruikers stuurt. Dit is een belangrijk kenmerk van technologie. Wanneer er op een grasveld een bordje staat ‘verboden te betreden,’ kan ik nog kiezen of ik hieraan gehoorzaam; wanneer rond dat grasveld een hek staat, heb ik zelfs de keuze niet meer. Een ander goed voorbeeld hiervan is het alcoholslot op wagens: wanneer de chauffeur positief blaast, start de wagen gewoonweg niet. Wie het script van de techniek niet volgt, kan er geen gebruik van maken, waardoor techniek een middel tot disciplinering kan zijn dat buiten de mens staat. Techniek schept een nieuwe omgeving, met mogelijkheden én beperkingen in gebruik.

Techniek zorgt echter niet enkel voor veruitwendiging, maar ook voor verinwendiging. De loutere beschikbaarheid van techniek en instrumenten, heeft een impact op onze handelingsintenties. Om het met Maslow’s gevleugelde woorden te zeggen: “if all you have is a hammer, everything looks like a nail.” (4) Bovendien zorgt de alomtegenwoordigheid van technologie ervoor dat we de wereld die ons omringt op een technische manier zullen waarnemen. Van maatschappij en politiek tot het menselijke lichaam: alles wordt aanschouwd alsof het een ingewikkelde machinerie betreft.

Het voorgaande kan de indruk wekken dat technologie gedrag eenvoudigweg determineert. Hoewel er duidelijk een sturende factor is, mag dit niet te strikt opgevat worden. Technologische toepassingen hebben een eigen logica en eigen richtlijnen wat gebruik betreft, maar uiteindelijk heeft de gebruiker het laatste woord. Deze dualiteit wordt geïllustreerd door een kritische bespreking van het gezegde “guns don’t kill people, people kill people.” Aan de ene kant zijn het natuurlijk steeds mensen die mensen vermoorden. Vuurwapens gaan zelden uit zichzelf af. Bovendien is ook een hamer een prima moordwapen. Anderzijds creëert de technologie van een vuurwapen een ongeziene mogelijkheid om te moorden. Zeker geavanceerde machinegeweren hebben een ongeziene moorddadige kwaliteit. Via het geweer worden de menselijke handelingscapaciteiten dus sterk uitvergroot, het stelt ons in staat tot zaken die anders onmogelijk of veel moeilijker zouden zijn. In die zin zijn het inderdaad de wapens zélf die moorden. Dit maar om te illustreren dat techniek niet zuiver determinerend is, maar tegelijk wél een duidelijke impact heeft op onze handelingsmogelijkheden.

In deze inleiding heb bewust ver weg gebleven van theorieën van politiek-filosofische aard. Enerzijds omdat ik andere zaken over techniek aan bod wou laten komen, maar anderzijds ook omdat onder de aanwezige deelnemers van deze discussie een schat aan expertise aanwezig is wat allerlei politieke stromingen en overtuigingen betreft. Van internationalisme en historisch materialisme, over de groene beweging, tot anarchisme en anarcho-primitivisme. Deze diverse achtergronden komen hopelijk uitvoerig aan bod tijdens de discussie.

De belangrijkste vraagstukken die zich stellen in verband met technologie en de progressieve beweging, draaien rond éénzelfde hoofdvraag: Wat mogen we van technologie verwachten? Daarbij stel ik volgende deelvragen voor:

  1. Is technologie een vloek dan wel een zegen in de strijd voor een betere samenleving?
    Of speelt technologie in deze slechts een secundaire rol?
  2. Hoe moet progressief links omgaan met technologische ontwikkelingen? Of anders gesteld: welke rol kan technologie hebben in de samenlevingsvorm die links na wil streven?
  3. Op welke manier moet met deze (soms onwenselijke) technologische ontwikkelingen omgegaan worden? Op welke manier kan dit?

Voetnoten:

1 Voor deze definitie baseer ik me enerzijds op Arnold Gehlen, die ‘technique’ omschrijft als “the capacities and means whereby man puts nature to his own service” (Man in the Age of Technology, 1957/1980, Columbia University Press, p.4), en anderzijds op de omschrijving van technologie in de Van Dale (nl. leer van de handelingen waardoor de mens de voortbrengselen van de natuur tot stoffen verwerkt tot bevrediging van zijn behoeften).

2 Gebaseerd op Gehlen, op.cit.

3 Kritiek op de veruitwendiging die het schrift met zich meebrengt, is al haast zo oud als het schrift zelf, getuige volgend fragment van Plato. Volgens een Egyptische legende die Socrates in een gesprek met Phaedrus aanhaalt, schenkt de god Theuth het schrift aan koning Thamus, die de gift echter op kritische wijze in ontvangst neemt, “for this invention will produce forgetfulness in the minds of those who learn to use it, because they will not practice their memory. Their trust in writing, produced by external characters which are no part of themselves, will discourage the use of their own memory within them.” Hoewel Socrates duidelijk een kritische houding aannam ten opzichte van het schrift, zorgde tekst pas veel later voor échte veruitwendiging van expliciete kennis en geheugen. Het duurde nog enkele honderden jaren alvorens spaties en leestekens algemene ingang vonden, en pas rond het jaar 400 werden indexen en inhoudstafels gebruikt om opzoekwerk te vereenvoudigen. Hierdoor was vloeiend lezen, laat staan opzoeken, in de oudheid nog onmogelijk zonder de tekst bijna volledig uit het hoofd te kennen.

4 Dit is een populaire adaptatie van Abraham Maslow’s oorspronkelijke woorden, nl. “I suppose it is tempting, if the only tool you have is a hammer, to treat everything as if it were a nail.”

No comments yet

Leave a Reply