Inleiding – transitie of revolutie?

8 jul

1. Probleemstelling

Alle progressieven (socialisten, communisten, ecologisten, ecosocialisten…) zijn het erover eens: er loopt veel mis in de wereld en we willen de situatie verbeteren. Niet alleen heeft het kapitalistische systeem tot een diepgaande economische en sociale crisis geleid, er tekent zich ook een verregaande ecologische crisis af. Een aantal progressieven stelt onomwonden dat de oorzaken van deze crisissen in het kapitalisme gezocht moeten worden. Andere progressieven proberen de spreekwoordelijke kerk in het midden te houden: het kapitalisme is leefbaar wanneer er vanuit de politiek sociale correcties en maatregelen in functie van duurzaamheid worden doorgevoerd.
Hoe dan ook: alle progressieven willen de wereld verbeteren door wijzigingen in de samenleving en het systeem te brengen. Dit in tegenstelling tot conservatieven, die zich door Zukunftvergessenheit (vrij vertaalt: het vergeten of negeren van de toekomst) in toenemende mate ongeloofwaardig maken. De grote vraag die zich opdringt binnen het progressieve kamp is of vooruitgang het best door transitie of revolutie wordt bereikt.

2.      Duiding

Geen transparante discussie zonder het duiden en eventueel afbakenen van begrippen. Het woord ‘transitie’ is volgens Van Dale ontleend aan het Franse ‘transition’ (1658) of direct ontleend aan het Latijnse ‘transitio’, en krijgt als betekenis ‘overgang’.

Het woord ‘revolutie’ is enkel ontleend aan Franse ‘révolution’ (1548), en wordt in tweede instantie omschreven als: “algehele verandering, ommekeer in de staatkundige en/of maatschappelijke toestanden in een land ten gevolge van een actie van hen die aan die toestanden onderworpen waren en die een nieuwe regering invoeren”. Synoniem: ‘omwenteling’. Als voorbeelden worden in Van Dale aangehaald:

–          de Franse Revolutie (revolutie in Frankrijk van 1789 tot 1799, die leidde tot de afschaffing van de monarchie)

–          de Russische Revolutie (die van 1917)

Figuurlijk heeft ‘revolutie’ ook als betekenis: algehele verandering. Voorbeelden hiervan: de tweede industriële revolutie, de Culturele Revolutie in China van 1966 tot 1976 (vooral gericht tegen de traditionele intellectuelen en kunstenaars), groene revolutie (vernieuwing van de landbouw door toepassing van nieuwe rassen van landbouwgewassen met zeer grote opbrengst en hogere technologie), een fluwelen revolutie (een geweldloze grote verandering), digitale revolutie, een revolutie in de denkbeelden…

3.      Transitie

Een transitie is een structurele verandering die het resultaat is van op elkaar inwerkende en elkaar versterkende ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld economie, cultuur, technologie, instituties en natuur en milieu.

In de huidige maatschappij worstelen diverse sectoren en domeinen – landbouw, verkeer en vervoer, waterbeheer, energievoorziening, bouwsector en gezondheidszorg – met hardnekkige, langslepende problemen van ‘onduurzaamheid’ die alleen door middel van transities op te lossen lijken te zijn. Voor het bewerkstelligen van die transities zijn tal van samenhangende ‘systeeminnovaties’ nodig: vernieuwingen op het niveau van technologieën, regels en organisatievormen. Transities duren vaak lang, tot zelfs meerdere generaties, en vergen de steun en inzet van bedrijven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en burgers, als onderdelen van maatschappelijke netwerken. De afgelopen jaren is men zowel wetenschappelijk als in het beleid druk bezig met het experimenten met nieuwe vormen van sturing speciaal gericht op deze transities naar duurzaamheid, onder de noemer transitiemanagement. Ook vanuit de maatschappij worden diverse initiatieven ontplooid. Voorbeelden daarvan zijn de lokale gemeenschappen die onder de noemer van Transitiestad (Transition town) zelf aan de slag gaan om hun manier van wonen, werken en leven duurzamer te maken.

De Britse permacultuur-activist Rob Hopkins startte in 2005 in zijn woonplaats Totnes (Devon, Engeland) het eerste Transition-Town initiatief. Totnes groeide uit tot de eerste Transition Town in Engeland. Rob Hopkins publiceerde in 2008 een handboek (The Transition Handbook, from oil dependency to local resilience) waarin hij zijn ideeën voor het positief veranderen van gemeenschappen heeft uitgewerkt. In mei 2009 verscheen een Nederlandse vertaling van het handboek (Het Transitie Handboek, van olie-afhankelijkheid naar lokale veerkracht).

Het Transitienetwerk Vlaanderen overkoepelt vandaag een honderdtal lokale groepen. Een transitie-initiatief is een gemeenschap die onbevreesd piekolie en klimaatverandering in de ogen ziet en zich deze grote vraag stelt: “hoe kunnen we in alle aspecten van het leven hier de veerkracht van onze eigen gemeenschap verhogen (om de gevolgen van piekolie op te vangen) en onze uitstoot van broeikasgassen drastisch verminderen (om de gevolgen van klimaatverandering te temperen)?” Dit resulteert in een gecoördineerde verscheidenheid aan projecten rondom alle belangrijke aspecten van het leven die erop gericht is de lokale veerkracht en schokbestendigheid die we als gevolg van goedkope olie verloren zijn her op te bouwen, en de koolstofuitstoot van de gemeenschap drastisch te verminderen.

Ook de Vlaamse overheid heeft het in een publicatie over ‘Transities in Vlaanderen in Actie’. Zij wil naar eigen zeggen “een voortrekkersrol spelen voor duurzame ontwikkeling, en de transitie naar duurzaamheid versnellen.”
Omdat transities structurele veranderingen zijn die een grote impact op de samenleving hebben, veronderstellen ze ook de nodige tijd om die verandering te kunnen laten plaatsvinden. Als die tijd niet beschikbaar is, en de verandering dus op korte tijd moet plaatsvinden, dan gaat ze gepaard met grote overgangsmoeilijkheden. We spreken dan eerder over een revolutie. Hopkins spreekt daarom over de nood om de verandering tijdig voor te bereiden. Hij stelt dat de maatschappij de keuze heeft om kiezen voor een transitie, waarbij de samenleving zich gedurende 1 à 2 decennia voorbereidt op een toekomst met bijvoorbeeld minder energievoorzieningen. Indien we ons hierop niet voorbereiden, en de transitie haar tijd dus niet gunnen, zal er eerder sprake zijn van een revolutie. De verandering wordt dan volgens Hopkins op een niet-comfortabele en vaak gewelddadige wijze door externe factoren opgedrongen.

4.      Revolutie

Cartoon die de ronde doet op het internet

In ‘De mythe van de groene economie’ vragen academici Matthias Lievens en Anneleen Kenis zich af of de strijd tegen klimaatopwarming wel in het kader van de ‘groene economie’ gevoerd kan worden. Als we het hebben over de ‘groene economie’, dan hebben we het volgens de auteurs over een heel specifiek maatschappijproject dat vooral door een aantal internationale actoren – zoals de Wereldbank, de Europese Commissie, de OESO en een aantal coalities van beleggers en investeerders – vandaag naar voren wordt geschoven. Dat project vertrekt vanuit het idee dat we de marktmechanismen en de innovatiekracht van het kapitalisme moeten aanboren om de transitie te maken naar een meer duurzame samenleving. Maar kan je wel sociale en ecologische doelstellingen nastreven en er tegelijkertijd ook nog eens winst mee maken? Het duo denkt alleszins dat er belangrijke redenen zijn om daaraan te twijfelen. In de praktijk zou de winst meestal centraal blijfven staan, er misschien een heel klein beetje natuur wordt gered, maar lang niet genoeg, en sterk ten kost van de mensen.

‘Geen transitie zonder revolutie’ luidt de titel van het laatste hoofdstuk in deze publicatie. Een citaat:

Vandaag wordt in groene middens niet dikwijls over maatschappijverandering of revolutie gesproken maar wel over transitie. (…) Meestal blijft het transitiedenken netjes binnen de krijtlijnen van het bestaande. Als we echt naar de wortels van het probleem willen gaan, zullen we verder moeten durven kijken en de fundamentele sociale verhoudingen hertekenen. Dat zal niet kunnen zonder bestaande machtsbastions ter discussie te stellen, het conflict te erkennen en de strijd aan te gaan: geen transitie zonder revolutie! (p.291)

Vandaag is er volgens Lievens een duidelijk probleem. ‘In een context van financiële markten en machteloze overheden kalft de gestructureerde civiele samenleving (georganiseerd in klassieke organisaties zoals onder meer de vakbonden) af omdat ze haar functie niet meer kan vervullen. Over heel de wereld zie je vandaag ontevredenheid die op een ongecontroleerde manier tot uiting komt: in rellen, revoluties, een Indignado- of een Occupy-beweging. Zulke uitbarstingen zullen toenemen samen met de klimaatopwarming en de daaruit volgende stress.’

Lievens vindt het cruciaal dat ideeën ontwikkeld worden en organisaties of bewegingen opgezet om daar iets constructiefs mee te doen. Voor de auteurs van de MGE is dat: bouwen aan een beweging voor klimaatrechtvaardigheid en de discussie aanzwengelen over hoe we een effectief klimaatbeleid kunnen voeren dat sociaal rechtvaardig is en gedragen wordt door een grote groep in de samenleving.

5.      Persoonlijke conclusie

De discussie over transitie en revolutie is complex (beide fenomenen vloeien soms in elkaar over en hoeven in principe elkaar ook niet uit te sluiten). Veel hangt lijkt af te hangen van de context waarin een individu zich bevindt: achtergrond, omgeving, intellectuele bagage en ideeën, karakter, toekomstperspectief…
Vast staat dat we nu in een “episch” (groots, zoals in heldendichten) historisch tijdperk leven. De veranderingen in de wereld volgen elkaar op in hoog tempo, en er lijken steeds minder zekerheden te zijn. Vandaag situeren onze uitdagingen zich in een wereldwijde context, en zo ook onze kansen. Baanbrekende initiatieven kunnen de komende decennia bepalen, en deze dienen onze uitdagingen en kansen op onvoorziene wijze te verbinden, en ons op gemeenschappelijke wegen naar doelen te zetten die bij vorige generaties niet bestonden. Volgens filosoof Tim Rayner waren de grote leiders van de geschiedenis altijd “disruptive thinkers”. [1]

Misschien biedt het denken van de Franse filosoof Michel Foucault hier inspiratie. Deze denker hield zich zijn leven lang bezig met een passie voor epische verandering. Foucault startte met een gesitueerde visie over de dingen vandaag veranderen (i.p.v. waarheid uit metafysische natuur der dingen) en vroeg zich af hoe hij kon bijdragen tot deze veranderingen zodat ook hij zou veranderd zijn door de ervaring. Dit was voor Foucault het doel van de filosofie: leren omgaan met verandering op zo’n manier dat je wordt getransformeerd in het proces. Zijn methode draaide om het heden te heroïseren (tot held verheffen), haar opportuniteiten te transfigureren (vervormen, omvormen) en zich verbinden tot de opportuniteiten door een voortgaand werk van persoonlijke transformatie.[2]

Uiteindelijk moet elk individu tegenwoordig kiezen of hij al dan niet wil bijdragen aan belangrijke veranderingen in de samenleving, op welke manier en in welke mate.

6.      Bronnen

7.      Voetnoten

2 Responses to “Inleiding – transitie of revolutie?”

  1. Bird juli 10, 2013 at 11:47 am #

    Hierbij de verwijzing naar het boek van Rosa Luxemburg van 1900: “Sociale hervorming of revolutie” en de twee passages die ik voorlas tijdens de discussie.

    http://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1900/1900reformisme.htm

    Eerste passage uit het boek:
    “De invoering van het socialisme door middel van sociale hervormingen
    Bernstein verwerpt de “ineenstortings theorie” als de historische weg naar de verwezenlijking van de socialistische maatschappij. Wat is vanuit het standpunt van de “aanpassingstheorie van het kapitalisme” de weg die daartoe leidt? Bernstein heeft deze vraag slechts terloops beantwoord; de poging haar uitvoeriger te beantwoorden in het voetspoor van Bernstein werd ondernomen door Conrad Schmidt [1]. Volgens hem zal “de vakbondsstrijd en de politieke strijd voor sociale hervormingen een steeds verdergaande maatschappelijke controle over de productievoorwaarden” tot gevolg hebben, en zijn neerslag vinden in de wetgeving en op die manier “de kapitaaleigenaar in zijn rechten beperken en hem steeds meer terugdringen in de rol van beheerder”, tot tenslotte “aan de murw gemaakte kapitalist, die ziet dat hij steeds minder profijt heeft van zijn eigen bezit, de leiding over en het beheer van het bedrijf wordt ontnomen” en definitief het maatschappelijke bedrijf wordt ingevoerd.”
    Tweede passage uit het boek:
    “Wat de coöperaties, en vooral de productiecoöperaties betreft: zij vormen naar hun wezen binnen de kapitalistische economie een tweeslachtig iets: een op kleine schaal gesocialiseerde productie met handhaving van kapitalistische ruil. Maar in de kapitalistische economie beheerst de ruil de productie en maakt, gezien de concurrentie, een niets ontziende uitbuiting, d.w.z. volledige beheersing van het productieproces door de kapitaalsbelangen tot bestaansvoorwaarde voor de onderneming. In de praktijk manifesteert zich dit in de noodzaak om de arbeid zo intensief mogelijk te maken, te verkorten of te verlengen, al naar gelang de marktsituatie en om de arbeidskracht steeds overeenkomstig de eisen van de afzetmarkt aan te trekken en af te stoten en op straat te smijten. Kortom, de noodzaak doet zich gelden om alle bekende methoden te hanteren die een kapitalistische onderneming in staat stellen te concurreren. In de productiecoöperatie komen de arbeiders zodoende voor de tegenstrijdige noodzaak te staan, zichzelf met het volle pond aan absolutisme te regeren, tegenover zichzelf de rol van kapitalistische ondernemer te spelen. Aan deze tegenstrijdigheid gaat de productiecoöperatie dan ook te gronde, doordat zij òf zich weer terug ontwikkelt tot een kapitalistische onderneming, òf, als de belangen van de arbeiders zwaarder wegen, wordt opgeheven. Dat zijn de feiten. (…)
    Daaruit volgt, dat de productiecoöperatie haar bestaan binnen de kapitalistische economie slechts dan kan verzekeren, als zij langs een omweg de in haar besloten tegenspraak tussen productiewijze en ruilwijze opheft, door zich kunstmatig aan de wetten van de vrije concurrentie te onttrekken. Dit kan alleen, als zij zich bij voorbaat verzekert van een afzetmarkt, een vaste kring van consumenten. Zo’n hulpmiddel is nu de consumenten vereniging. (…)
    Als echter hiermee de bestaansvoorwaarden van de productiecoöperaties in de huidige maatschappij aan de bestaansvoorwaarden van de consumentenverenigingen gebonden zijn, dan volgt daaruit als verdere consequentie, dat de productiecoöperaties in het gunstigste geval zijn aangewezen op een kleine lokale afzet, en op een klein aantal producten die voorzien in de primaire behoeften, vooral levensmiddelen. Voor alle belangrijke takken van de kapitalistische productie, voor de textiel-, metaal-, kolen- en petroleum-industrie, zowel als voor de machine-, locomotief- en scheepsbouw geldt dat de consumentenvereniging en dus ook de productiecoöperatie er volstrekt uitgesloten is.
    Nog afgezien van hun tweeslachtig karakter kunnen de productiecoöperaties dus onmogelijk opgang maken als algemene sociale hervorming, al was het alleen reeds omdat het algemeen doorvoeren ervan allereerst de afschaffing van de wereldmarkt en het uiteenvallen van de bestaande wereldeconomie in kleine lokale productie- en ruilgroepen vooronderstelt, dus in wezen een teruggang van de grootkapitalistische naar de middeleeuwse warenhuishouding.”

  2. Bird juli 10, 2013 at 6:38 pm #

    En hier ook de referenties die A. gaf uit hetzelfde boek van R. Luxemburg
    passage uit het boek door A naar voor gebracht:

    De activiteit van de vakbonden blijft dus in hoofdzaak beperkt tot de loonstrijd en de verkorting van de arbeidstijd, d.w.z. dat zij zich uitsluitend kunnen bezighouden met de regulering van de kapitalistische uitbuiting overeenkomstig de marktsituatie. Invloed op het productieproces blijft hen uit de aard der zaak ontzegd.

    En ook de passage die zij naar voor bracht uit het boek van Nicolai Boecharin
    (met Preobrazhensky) Het ABC van het communisme

    http://www.marxists.org/nederlands/boecharin/1920/1920abc.htm

    § 1. De warenproductie.
    Als wij het economisch leven, zoals het zich onder het kapitalisme ontwikkeld heeft, nader beschouwen, zien wij in de eerste plaats dat er waren worden voortgebracht. Nu, wat is daar bijzonder aan, kan iemand vragen. Het bijzondere bestaat hierin, dat een waar niet maar een product zonder meer is, maar een product dat voor de markt wordt gemaakt.
    Een product is geen waar, zolang het voor eigen gebruik bestemd is. Wanneer een boer koren verbouwt, de oogst binnenhaalt en dorst, het graan maalt (of laat malen) en er brood van bakt, dan is dit brood geen waar, het is gewoonweg brood.
    Een waar wordt brood eerst, wanneer het verkocht en gekocht, d.w.z. voor de koper, voor de markt gemaakt wordt; wie het maar kopen wil, die behoort het toe.
    In de kapitalistische maatschappij is het voor alle producten de normale toestand dat zij voor de markt worden gemaakt, zij worden alle tot waar.

    § 15. De verdeling in de communistische maatschappij.
    De communistische maatschappij berust ook niet op productie voor de markt, maar op productie voor eigen behoefte. Alleen produceert niet ieder enkeling voor zich zelf, maar de hele reusachtige gemeenschap voor allen. Er bestaan dus geen waren meer, maar enkel producten. Deze producten worden niet tegen elkaar geruild; zij worden gekocht noch verkocht. Zij komen eenvoudig in de gemeenschappelijke magazijnen en worden verstrekt aan wie ze nodig heeft. Het geld zal dus ook overbodig zijn. Hoe kan dat? Zal men vragen. Dan zal de één een massa nemen en voor de ander blijft een beetje over. Wat geeft zo’n verdeling van de producten?
    In de eerste tijd, zeker een mensenleeftijd, zal men natuurlijk verschillende regels moeten stellen en bijvoorbeeld bepaalde producten slechts aan diegenen toekennen die een daarop rechtgevende aantekening in hun werkboekje of op hun werkkaart hebben. Later, als de communistische maatschappij goed gevestigd en tot ontwikkeling gekomen is, wordt dat overbodig. Van ieder product is dan een ruime hoeveelheid en ieder neemt zoveel als hij nodig heeft. Zullen de mensen er echter niet op uit zijn, meer te nemen dan zij nodig hebben? Natuurlijk niet. Wat zou iemand er mee doen? Verkopen kan hij het niet, want ieder kan ten allen tijde nemen wat hij nodig heeft. Ook heeft het geld dan geen waarde meer. En voor de dag van morgen hoeft hij ook niet te zorgen, als de productie groot genoeg is voor de behoeften van allen. In de aanvang van de communistische maatschappij zullen de producten waarschijnlijk naarmate van de arbeidsprestatie en later eenvoudig naar de behoeften van de kameraden verdeeld worden.

    PS: de vertaling wijkt wel af van de franse vertaling, daarom hierbij ook de franse tekst.
    20 : La répartition en régime communiste
    Le mode communiste de production ne suppose pas non plus la production pour le marché, mais pour les besoins. Seulement, chacun ne travaille pas pour soi, c’est toute la communauté géante qui travaille pour tous. Il n’y a pas ici de marchandises, mais seulement des produits. Ces produits ne sont pas échangés les uns contre les autres, ils ne sont ni achetés, ni vendus. Ils sont tout simplement déposés dans les entrepôts communaux et livrés à ceux qui en ont besoin. Aussi, nul besoin d’argent. « Comment ferez-vous ? Allez-vous demander. L’une prendra trop et l’autre pas assez. Quel avantage y aura-t-il à cette répartition ? » Ajoutons encore ceci : Au début, pendant les 20 ou 30 premières années, peut-être faudra-t-il établir certaines règles : par exemple, tels produits seront seulement délivrés d’après certaines indications sur le livret de travail ou contre présentation de la carte de travail. Mais plus tard, une fois la société communiste consolidée et développée, tout cela sera superflu. Tous les produits seront abondants, toutes les plaies seront depuis longtemps fermées et chacun pourra prendre autant qu’il lui faudra. Mais les hommes n’auront-ils point intérêt à prendre plus qu’ils n’auront besoin ? Mais non. Personne, aujourd’hui même, n’aurait l’idée de payer, dans un tramway, trois places, pour n’en occuper qu’une et laisser vides les deux autres; ce besoin n’existe pas. Il en sera de même pour tous les produits. Chacun retirera de l’entrepôt communal ce dont il a besoin, et tout sera dit. Vendre son surplus, personne n’y aura intérêt, car chacun pourra prendre ce qu’il lui faut. De plus, l’argent n’aura pas de valeur. Donc, au début de la société communiste, les produits seront vraisemblablement distribués d’après le travail accompli et, plus tard, tout simplement d’après les besoins des membres de la communauté.

Leave a Reply