Inleiding (1) – Vakbond: vriend of vijand?

11 apr

discussie van 10 april 2012, Antwerpen

DEEL “PRO” VAKBOND

Ik dien hier de positie voor de vakbonden te verdedigen. Voor of tegen de vakbonden?  De vakbond bestaat en vanuit die situatie moet er vertrokken worden. Ik geloof ook niet dat we kunnen spreken over ‘dé vakbonden’. Als we over de vakbonden spreken, spreken we dan over die miljoenen Belgische werknemers die  hierbij aangesloten zijn, over een paar luie spoorwegambtenaren, of een organisatie die herstructuringen begeleidt, of de mensen die voor de index opkomen en tegen de pensioenhervormingen strijden? Er kunnen verschillende opvattingen bestaan over wat de rol van de vakbond dient te zijn.  Als ik vanaf nu over de vakbonden spreek, dan houd ik het op de volgende abstracte definitie: de niet-parlementaire, syndicale, permanente organisatie van de werknemers met als doel gemeenschappelijke belangen te verdedigen.

Ik denk dat we de rol van de vakbond moeten begrijpen vanuit drie vragen. Heel kort:

a)      Waar willen we naar toe in onze samenleving?

b)      Wat zijn de huidige krachtsverhoudingen?

c)       Welke rol vinden we dat de vakbonden moeten spelen?

a) Ik geloof in een democratisch, pluralistisch ecosocialisme, als verderzetting van de democratisering van menselijke relaties, dat als doel het beëindigen van uitbuiting op de werkvloer heeft, maar ook het beëindigen van vervreemding waardoor mensen elkaar als dingen zien en hun leven slijten in afstomping en machteloosheid, en dat binnen de grenzen van het ecosysteem aarde.

Ik geloof ook niet dat een socialistische/ecologische/communistische/andersglobalistische maatschappij stapsgewijs kan ontstaan binnen het kapitalisme. Ik zet mij ook af tegen een ‘links’ of ‘vakbond’ die zich neerlegt bij de politieke economie zoals ze nu is en een ‘socialere’ bezuinigingen voorstelt of voor meer overheidsinvesteringen pleit.

Maar ik geloof ook niet in een soort van wereldrevolutie waarop gewacht moet worden, die op voorhand ook geen concrete invulling mag hebben in de vorm van eisen of samenlevingsmodellen. Ik geloof ook niet dat alle conflicten kunnen gereduceerd worden tot dé klassenstrijd. Als men niet weet waar men naar toe wil blijven deze principes hol.

b)We moeten leren uit de lessen van de geschiedenis en de fouten die reformisten en revolutionairen hebben gemaakt, zonder er van uit te gaan dat er één juiste blauwdruk voor het socialisme, politieke ecologie of communisme kan bestaan. Tegelijkertijd is het verleden niet het heden en moeten we vertrekken vanuit de maatschappij zoals deze zich voordoet. De maatschappij zoals ze zich aandoet, biedt technologisch meer mogelijkheden dan ooit en tegelijkertijd was de economie nog nooit zo op wereldschaal georganiseerd. Anderzijds is het misschien ook moeilijker dan ooit om een wereldwijd revolutietje te doen. Om het heel kort samen te vatten, gisteren ging de strijd voor een rechtvaardiger verdeling van de nationale rijkdom die door kapitaal en arbeid werden gecreëerd. Vandaag gaat de strijd steeds over de strijd tegen de nadelen van het kapitalisme, in de vorm van economische risico’s (lonen en pensioenen gaan naar omlaag, flexibele werkschema’s en verhoogde werkdruk worden opgelegd, reddingsoperaties met belastinggeld ten gunste van de banken en de rijke elite) of milieu-risico’s (kernenergie, de gevolgen van fijn stof, klimaatverandering). Het soberheidsbeleid van de heersende klasse is in de eerste plaats niet gericht tegen de armen in onze samenleving, want te veel verpaupering wil niemand, maar wel degelijk tegen iedereen die economische en sociale rechten heeft: tegen de vakbonden, tegen het idee van collectieve onderhandelingen. Zo wordt de ‘arbeidsklasse’ voortdurend verdeeld  en wordt het groeiende precariaat opgezet tegen de werknemers met betere arbeidsvoorwaarden, waardoor de klassenstrijd verhuist naar de onderkant van de samenleving en de rijken ongemoeid worden gelaten. Hierdoor is de krachtsverhouding is sinds de jaren 1970-1980 serieus in het voordeel van het kapitaal gekomen. De sociale welvaartstaat werd uitgebouwd na de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog in een gecontroleerdere economie, waar de financiële sector nog niet zo dominant was en de sleutelsectoren van de economie in handen van de staat of nationale kapitalisten waren. De economie groeide snel, waardoor de werkgevers in staat waren toegevingen aan de werknemersbeweging te doen, zonder dat de winstvoet in het gedrang kwam. Dit is allemaal veranderd en we kunnen niet terug naar de hoogdagen van de sociaaldemocratische welvaartstaat (waar in feite weinig socialistisch of antikapitalistisch aan was). Hierdoor is het zowel voor de burgerij als linkse partijen een stuk moeilijker geworden om het kapitalisme te vermenselijken of te veranderen. Tegelijkertijd is het voor revolutionairen ook moeilijker om aan te tonen dat strijd kan lonen, als het moeilijker is om ‘overwinningen’ te behalen.

In deze moeilijke periode zijn er momenten dat vakbonden inderdaad stevig strijden tegen allerlei bezuinigingsoperaties op kap van de werkenden, gepensioneerden, werklozen en studenten. Ik zie het ABVV in België deze rol ook op zich nemen, zelfs tegen een regering geleid door sociaaldemocraten in. We zagen dat ook bij de strijd tegen het generatiepact. Natuurlijk zijn deze betogingen en stakingen ook soms niet meer ‘theater’ waarbij stoom wordt afgelaten en de vakbond bij gebrek aan alternatief of kracht moet mee gaan in de aanpassingen die de globalisering met zich meebrengen. De vakbonden zijn soms te corporatistisch georganiseerd per sector, denken niet buiten het systeem. Ik vraag me ook af waarom er de meeste vakbonden in een nationale logica blijven steken, waarom ze de sociaaldemocratische en christendemocratische partijen blijven steunen, waarom de vakbonden de concurrentielogica van het kapitalisme niet in vraag stellen..

De meerderheid van de syndicalisten stelt zich momenteel zelfs niet de vraag of we voor een reformistische of revolutionaire strategie moeten gaan. Ze kunnen zich de vraag niet stellen omdat ze nauwelijks een fundamenteel andere vorm van samenleven kunnen voorstellen dan het kapitalisme. Dus grijpen veel mensen ook terug naar een geïdealiseerde vorm van de welvaarstaat van vroeger of probeert men zelf door allerlei gemeenschapsprojecten een kapitalismevrij eiland te creëren of zich in te zetten voor concrete, direct zichtbare realisaties.

c)Maar moet men daarom het kind met het badwater weggooien. Het is niet omdat ik de eisen van de vakbonden enerzijds te beperkt vindt, en weinig realistisch acht binnen het status quo, dat we ze moeten de rug keren. Hetzelfde met linkse partijen. Strijdbewegingen zoals we die nu in de hele wereld zien kunnen pas overleven en krachtig zijn, denk ik als er een structurele basis en organisatiekracht is om op terug te vallen. De drie vakbonden hebben uiteraard absoluut geen monopolie op deze organisatiekracht. Het is een én-én verhaal. De vakbonden spelen denk ik meestal een progessieve rol in strijdbewegingen door te organiseren, mobiliseren en te kanaliseren, als dit niet gebeurt dan sterven ze een stille dood sterven of worden ze een nieuwe organisatie. Je hebt organisaties en partijen nodig om mensen blijvend te kunnen mobiliseren.

Ik denk dat de rol van de vakbonden er nu vooral in zou moeten bestaan om een collectief bewustzijn verder te ontwikkelen en het maatschappelijk debat te politiseren en aan te tonen dat het neoliberalisme geen natuurwet is. Binnen de huidige hegemonische ideeën en krachtsverhouding leidt een zuiver antikapitalistische boodschap enkel tot margninalisering van de vakbonden, vrees ik. Ik ben bij de vakbond om van andere mensen te leren over het sociale klimaat in België, in contact te komen met anderen en tegelijkertijd ook voor mijn persoonlijke sociale bescherming op de werkvloer. Maar tegelijkertijd ook als actief individu die vindt dat de arbeidersbeweging en milieubeweging nog een pak dichter bij elkaar kunnen, dat het kapitalisme geen perspectief biedt, en samen moeten nadenken en strijden voor een alternatief. Hierbij spelen een revolutionaire overgangsprogramma, maar ook experimenten met alternatieven zoals coöperatieven, woongemeenschappen, beheer van gemeenschappelijke gronden als alternatief een sleutelrol, omdat ze  de brug vormen tussen de concrete en specifieke ervaringen van de gevolgen van de kapitalistische maatschappij en het abstracte alternatief van de  transformatie van de samenleving. Het verbindt de dagelijkse strijd en praktijk met het doel. Op het eerste zicht lijkt het paradoxaal het revolutionaire en het reformistische te willen verzoenen: een revolutionair probeert immers op de een of andere manier het systeem kapot te breken, terwijl de reformist ervoor moet zorgen dat zijn leden een groter deel van de koek krijgen en dus ook dat het systeem soepel genoeg draait opdat er steeds meer koek gebakken zou kunnen worden. We moeten niet streven naar de ondergraving van het bestaande produktie-apparaat, of wachten tot het van zichzelf ineenstort, maar naar een hervorming ervan naar een nieuw apparaat. De vakbeweging moet inderdaad de welvaart bevechten op het systeem, door te ijveren voor betere werkomstandigheden en een sterke sociale zekerheid. Maar zij moet het niet ten allen prijze overeind houden. Zij moet ervoor zorgen dat zij op een andere boot kan springen op het moment dat de huidige zinkt, en een bewustzijn helpen ontwikkelen bij het werken en strijden voor dit alternatief.

Ik zou hier nog van alles kunnen zeggen, maar ik wil eindigen met drie vragen aan jullie.

  1. Wat is de rol van vakbonden vandaag en in het verleden?
  2. Wat dient de rol van de vakbond te zijn? Moeten ze kiezen voor een strijdsyndicalisme of voor sociaal overleg? Zijn er ander mogelijkheden tot organsatie
  3. Zijn vakbonden, in de vorm van een structurele syndicale organisatie nodig of kan sociale strijd ook zonder?

Yves

No comments yet

Leave a Reply