Verslag – arbeid

8 jul

Discussie van dinsdag 18/06/2013, Antwerpen

1. De inleiding werd in het algemeen voldoende bevonden om een interessante discussie op gang te brengen. Het was niet de bedoeling een coherent geheel van standpunten over arbeid te brengen, maar enkele referenties te geven. Zij geven een idee van welke ideeën er zoal leven over het thema. Ze dienden als startpunt voor de discussie.

2. De discussie startte met enkele vragen en opmerkingen over het basisinkomen. Is een basisinkomen gewenst en/of nuttig? Geeft het de werkenden en niet-werkenden meer zekerheid over hun levensvoorwaarden? De meningen waren verdeeld. Volgens sommigen zou dit een soort concretisatie zijn van het parool “ieder werkt naar vermogen en neemt naar behoeften”. Het zou ook een middel zijn om de waardigheid van ieder te garanderen, zeker in deze tijd waar er meer werkzoekenden zijn dan vacatures. Bovendien geeft het arbeiders, vooral zij die smerige jobs doen, meer marge om te onderhandelen met de werkgever over het loon. Er werd hier verwezen naar het werk van Philippe Van Parijs. Een meerderheid leek uiteindelijk niet overtuigd. Wat wordt er immers met basisinkomen bedoeld? Als het gaat om een minimale som geld, waarmee je moet rondkomen, dan kunnen we dit gelijkstellen met een uitkering van een bepaalde aard (werkloosheidsuitkering, OCMW-uitkering…). Bovendien werd al in de jaren ’80 een basisinkomen opgeëist door verschillende partijen en groepen, o.a. Agalev en Vivant. Een resem politiekers van rechts en links hebben sindsdien één of andere vorm van een basisinkomen verdedigd (1). Vandaag is de economische situatie er niet beter op geworden. In deze tijden van massale werkloosheid (bijv. jongeren in Europa) en andere uitingen van een verscherpte economische crisis, is de eis om een basisinkomen nog meer tot een illusie geworden. Als het immers mogelijk zou zijn, waarom is het dan nog niet gerealiseerd? Eisen om een basisinkomen komt in die zin neer op een soort van reformisme.

3. Wat is arbeid? Arbeid gaat verder dan de juridische termen “werkend” en “werkloos”. Dat laatste is hoe het kapitalisme met arbeid omgaat. Arbeid is echter veel meer. Het is het geheel van de menselijke activiteiten dat als doel het levensonderhoud en de menselijke ontplooiing heeft. Dit omvat zowel intellectuele als manuele activiteiten. Bijgevolg behelst het ondermeer de kunsten, de wetenschappen, de techniek… In de geschiedenis bleek dan ook dat individuen hun reden van bestaan en hun plaats in de maatschappij/samenleving gegeven is door hun werk. Het is dus niet verwonderlijk dat vele gepensioneerden of bepaalde ‘arbeidsonbekwamen’ aan vrijwilligerswerk doen, opdat zij een gevoel van zin en zelfrespect bewaren in een van arbeid afhankelijk sociaal weefsel.Volgens de marxisten is de manier waarop arbeid plaatsvindt, bepalend voor de algemene structuur en dynamiek van een maatschappij. (2)

4. Maakt arbeid ons tot mens? Is de mens een werkend (Homo Faber) of een spelend wezen (Homo ludens)? Er werd in dit kader verwezen naar primitieve maatschappijen waarin per dag veel minder wordt gewerkt en veel meer wordt gespeeld dan in de moderne kapitalistische maatschappij. Dit is echter nog geen bewijs van de (on)natuurlijkheid van arbeid voor de Homo sapiens. Volgens marxisten als Friedrich Engels (3) en Anton Pannekoek (4) maakt de arbeid de mens tot mens. Zo heeft de mens in de biologische evolutie een opponeerbare duim en een dicht-bezenuwde hand ontwikkelt, die hem in staat stelt tot het vervaardigen van onnoemelijk veel werktuigen, die zijn omgeving en eigen lichaam op  hun beurt veranderden. De menselijke productie en biologie zijn vandaag de dag nog steeds wederzijds afhankelijk.

4. Is arbeid een last of een lust? Onder het kapitalisme (daaronder valt ook het “reële socialisme”) is arbeid erg vervreemd(end), omdat het niet ten dienste staat van de menselijke behoeften en noden. Het kapitalisme baseert zich daarvoor op een specifieke vorm van uitbuiting en onderdrukking: de loonarbeid.  Ook in vroegere maatschappijen was er uitbuiting en onderdrukking, maar toch bestond er een meer direct verband tussen arbeid en behoeften. Typisch aan het kapitalisme is dat het elk arbeidsresultaat tot een waar maakt. Dit heeft als gevolg dat ‘alles’ herleidt wordt tot kwantiteit en niet tot kwaliteit, tot ruilwaarde en niet tot gebruikswaarde.
De door loonarbeid uitgebuite mensen, de proletariërs, ervaren dan ook hun arbeid als iets vreemd van zichzelf, dat hen niet toebehoort, want het is eigendom van een ander. Ze ervaren het ook vaak als zinloos, aangezien het niet steeds een onmiddellijk sociaal doel heeft, maar verdwijnt in de zee van waren op de markt. Hun arbeid staat ten dienste van de winst. Enkel een minderheid van de mensen op aarde kan via zijn officiële arbeid zichzelf ontplooien. Een meerderheid moet dit ‘buiten de werkuren’ proberen te doen tijdens zijn ‘vrije’ tijd. Het is opmerkelijk hoe vrijwilligerswerk vaak wordt verbloemd, maar dit in feite ook het tegengestelde impliceert: onvrijwillig werk.

5. Een andere eigenschap van het kapitalistische productie (en distributie) is de chaos. Met het ontstaan van de markt als plaats waar waren geruild worden, ontstond ook een zekere chaos. Schoenmakers produceren in het kapitalisme schoenen om ze te verkopen op de markt. Ze weten echter niet hoeveel er nodig zijn, aangezien het productiesysteem door de markt geregeld is. Deze chaos uit zich ook op de arbeidsmarkt, waar precariteit en instabiliteit steeds meer heersen met het aanhouden van de crisis. Het leven, sterk bepaald door het loon én door de aard van je werk, wordt bijgevolg ook chaotischer. Dit groeiende onvermogen om je eigen leven te controleren en te plannen, werkt ook vervreemdend, beweerde iemand. Daarop werd gerepliceerd dat de chaos van het leven niet nieuw is onder het kapitalisme. Zal ‘chaos’ in het leven op één of andere manier niet voor eeuwig blijven gelden? Volgens een discussiedeelnemer is het nodig creatief en met open geest om te gaan met deze chaos en er niet nodeloos tegen te vechten.

6. Kan het anders? Kan arbeid opnieuw/voor het eerst een niet vervreemde activiteit worden? Alle discussiedeelnemers leken het erover eens dat dit wel anders kan. Iedereen kent het gevoel van trots wanneer hij/zij een bepaalde activiteit goed volbrengt. Zo staan de middeleeuwse ambachtslui bekend om hun fierheid over hun creaties. William Morris (kunstenaar, architect, socialist, één van de stichters van de Socialist League, één van de grondleggers van de Arts & Craftsbeweging) verwees dan ook op romantische wijze naar deze ambachtslieden in zijn streven naar een post-kapitalistische maatschappij. Hij schreef het boek “News from nowhere” (een antwoord op het boek van Edward Bellamy “Looking backward” (5)), waarin een utopische wereld wordt geschetst waar arbeid gelijkstaat aan kunst, creativiteit, plezier, een intense, maar bevredigende inspanning

7. Hoe kom je tot zo een post-kapitalistische wereld? Wat is er voor nodig om de heersende sociale verhoudingen radicaal te veranderen? Is een transitie of een revolutie nodig? Of allebei? De volgende discussie zal hierover gaan.

Yann, 08/07/2013

(1) Anoniem, Wikipedia, Liste des partisans du revenu de base, https://fr.wikipedia.org/wiki/Liste_des_partisans_du_revenu_de_base

(2) “In de productie beïnvloeden de mensen niet alleen de natuur, maar ook elkaar. Zij produceren alleen door op een bepaalde manier samen te werken en hun werkzaamheden wederzijds te ruilen. Om te produceren treden zij in bepaalde betrekkingen en verhoudingen tot elkaar en slechts binnen deze maatschappelijke betrekkingen en verhoudingen heeft hun inwerking op de natuur, heeft de productie plaats.

Naar gelang van het karakter van de productiemiddelen zullen natuurlijk deze maatschappelijke verhoudingen, waarin de producenten tot elkaar treden, de voorwaarden waaronder zij hun werkzaamheden ruilen en aan de gezamenlijke bezigheid van de productie deelnemen, verschillend zijn. Met de uitvinding van een nieuw oorlogswerktuig, het vuurwapen, moest noodzakelijk de gehele inwendige organisatie van het leger anders worden, werden de verhoudingen waaronder personen een leger vormen en als leger kunnen optreden, anders en is ook de verhouding van de verschillende legers tot elkaar veranderd.

De maatschappelijke verhoudingen waaronder de afzonderlijke personen produceren, de maatschappelijke productieverhoudingen worden dus anders, veranderen met de verandering en de ontwikkeling van de materiële productiemiddelen, van de productiekrachten. De productieverhoudingen in hun geheel vormen hetgeen men de maatschappelijke verhoudingen, de maatschappij noemt, en wel een maatschappij op een bepaalde historische trap van ontwikkeling, een maatschappij met een eigenaardig, kenmerkend karakter. De antieke maatschappij, de feodale maatschappij, de burgerlijke maatschappij zijn zulke totalen van productieverhoudingen, waarvan ieder tegelijkertijd een bepaalde trap van ontwikkeling in de geschiedenis van de mensheid beduidt.”(Marx, 1849, Loonarbeid en kapitaal, http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1849/1849loonarbeid.htm#Loonarbeid_en_kapitaal)

(3) Engels, 1876, De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens, http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1876/1876aapmens.htm

(4) Pannekoek, 1944, Anthropogenese, http://www.marxists.org/nederlands/pannekoek/1944/1944antropogenese.htm

(5) Magdoff, 2006, The meaning of work: a marxist perspective, http://monthlyreview.org/2006/10/01/the-meaning-of-work-a-marxist-perspective

One Response to “Verslag – arbeid”

  1. Yann augustus 8, 2013 at 7:30 pm #

    Uit: Marx, Het Kapitaal, Boek 1, http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1867/kapitaal/5.htm

    De arbeid is in de eerste plaats een proces, dat tussen mens en natuur plaatsvindt; een proces, waarbij de mens zijn stofwisseling met de natuur door middel van zijn eigen activiteit tot stand brengt, regelt en controleert. Hij treedt tegenover de natuurstof zelf als een natuurmacht op. De bij zijn lichaam behorende natuurkrachten, armen en benen, hoofd en handen, stelt hij in beweging om zich de natuurstof toe te eigenen in een vorm, die bruikbaar is voor zijn eigen leven. Door zodoende de natuur rondom hem te bewerken en te veranderen, verandert hij tegelijkertijd zijn eigen aard. Hij brengt de sluimerende, potentiële krachten tot ontwikkeling en hij onderwerpt het spel van deze krachten aan zijn eigen wil. We houden ons hier niet bezig met de eerste dierlijke, instinctmatige vormen van arbeid. Er ligt een onmetelijke lengte van dagen tussen de toestand, waarin de arbeider op de warenmarkt optreedt als verkoper van zijn eigen arbeidskracht en de toestand, waarin de menselijke arbeid zich nog niet ontdaan had van zijn eerste, instinctmatige vorm. We gaan uit van een vorm van arbeid, zoals deze uitsluitend bij de mensen voorkomt. Een spin verricht werkzaamheden, die lijken op die van een wever; een bij doet door het bouwen van zijn honingraat menig menselijke architect beschaamd staan. De slechtste architect onderscheidt zich echter al direct van de beste bij doordat hij de cellen in zijn gedachten heeft gebouwd voordat hij ze in werkelijkheid vormde. Aan het einde van het arbeidsproces komt een resultaat te voorschijn, dat van het begin af aan in de fantasie van de arbeider, dus ideëel reeds aanwezig was. Niet alleen dat hij een vormverandering van het natuurlijke tot stand brengt, hij realiseert in het natuurlijke tevens zijn doel, een doel dat hij kent, dat als een wet zijn wijze van handelen bepaalt en waaraan hij zijn wil moet onderwerpen. En deze onderwerping is niet een op zichzelf staande handeling. Behalve de inspanning van de organen, die werken, is voor de gehele duur van de arbeid de aanwezigheid van de doelbewuste wil — die zich als oplettendheid manifesteert — nodig en dit des te meer naarmate die arbeid door zijn inhoud en door de wijze van uitvoering de arbeider minder boeit, hij dus minder van die arbeid geniet als spel van zijn eigen lichamelijke en geestelijke krachten.

    De enkelvoudige factoren van het arbeidsproces zijn: de doelmatige werkzaamheid of de arbeid zelve; het voorwerp van de arbeid; het middel van de arbeid.

    De aarde (waaronder economisch ook het water wordt begrepen), zoals deze de mensen oorspronkelijk voorzag van proviand, van middelen van bestaan die kant en klaar waren,[1] is zonder toedoen van de mens als het algemene voorwerp van de menselijke arbeid aanwezig. Alle zaken, die door de arbeid slechts worden gescheiden van het directe verband met het geheel van de aarde, zijn door de natuur gegeven arbeidsvoorwerpen. Bijvoorbeeld de vis, die gescheiden van zijn element, het water, gevangen wordt; het hout, dat in het oerwoud wordt geveld; het erts, dat van zijn aders wordt afgebroken. Is daarentegen het arbeidsvoorwerp om zo te zeggen door vroegere arbeid reeds gefiltreerd, dan noemen we het grondstof, bijvoorbeeld het reeds losgemaakte erts, dat nu wordt gewassen. Alle grondstof is arbeidsvoorwerp, maar niet elk arbeidsvoorwerp is grondstof. Het arbeidsvoorwerp is pas grondstof wanneer het reeds een door arbeid tot stand gebrachte verandering heeft ondergaan.

    Het arbeidsmiddel is een ding of een samenstel van dingen, dat door de arbeider tussen zichzelf en het arbeidsvoorwerp wordt geschoven en dat als geleider van zijn activiteit tegenover dat voorwerp dient. Hij maakt gebruik van de mechanische, fysische en chemische eigenschappen van de dingen ten einde ze als machtsmiddelen in overeenstemming met zijn doel op andere zaken toe te passen.[2] Afgezien van de toe-eigening van bestaansmiddelen die reeds kant en klaar zijn (bijvoorbeeld vruchten), waarbij de eigen lichaamsorganen van de arbeider als arbeidsmiddel dienst doen, is het voorwerp, waarvan de arbeider zich rechtstreeks meester maakt, geen arbeidsvoorwerp, maar arbeidsmiddel. Op deze wijze wordt de natuur zelf orgaan van zijn activiteit, een orgaan dat hij aan zijn eigen lichaamsorganen toevoegt, waardoor — ondanks de bijbel — zijn natuurlijke gedaante wordt vergroot. Zoals de aarde zijn oorspronkelijke provisiekamer is, is zij ook zijn oorspronkelijk magazijn van arbeidsmiddelen. De aarde levert hem bijvoorbeeld de steen, waarmee hij gooit, wrijft, perst, snijdt, enzovoort. De aarde zelf is een arbeidsmiddel, hoewel, wil zij als arbeidsmiddel in de landbouw dienst doen, een hele reeks andere arbeidsmiddelen én een reeds betrekkelijk hoge graad van ontwikkeling van de arbeidskracht worden verondersteld aanwezig te zijn.[3] Zodra het arbeidsproces ook maar enigszins ontwikkeld is, zijn reeds bewerkte arbeidsmiddelen nodig. In de oudste mensenholen vinden we uit steen vervaardigde werktuigen en wapens. Naast bewerkt steen, hout, been en schelpen speelt in het begin van de geschiedenis der mensheid het getemde — dus zelf reeds door arbeid veranderde — en geteelde dier de belangrijkste rol als arbeidsmiddel.[4] Het gebruik en de schepping van arbeidsmiddelen kenmerken — hoewel in de kiem reeds eigen aan bepaalde diersoorten — het specifiek menselijke arbeidsproces; daarom definieert Franklin de mens als a toolmaking animal, een dier dat werktuigen maakt. Dezelfde betekenis, die de overblijfselen van de beenderen bezit voor de kennis van de uitgestorven diersoorten, bezitten de overblijfselen van de arbeidsmiddelen voor de beoordeling van verdwenen economische maatschappijvormen. De economische tijdperken onderscheiden zich onderling niet door wat gemaakt werd, maar hoe, met welke arbeidsmiddelen gewerkt werd.[5] De arbeidsmiddelen zijn niet slechts graadmeters voor de ontwikkeling van de menselijke arbeidskracht, maar ook indicatoren voor de menselijke verhoudingen waaronder gewerkt wordt. Onder de arbeidsmiddelen vormen de mechanische (die men, als geheel gezien, het beender- en spierenstelsel van de productie zou kunnen noemen) duidelijker kenmerken voor de bepaling van een maatschappelijk productietijdvak dan de arbeidsmiddelen welke, zoals bijvoorbeeld buizen, vaten, manden, kruiken, enzovoort, slechts dienen als reservoirs van het arbeidsvoorwerp en waarvan het geheel in het algemeen kan worden aangeduid als het vaatstelsel van de productie. Pas in de chemische industrie spelen zij een belangrijke rol.[5a]

    In ruimere betekenis telt het arbeidsproces behalve de zaken, via welke de werking van de arbeid op het arbeidsvoorwerp tot stand komt en die dus op de een of andere manier dienen als geleiders van de werkzaamheid, ook tot zijn middelen alle materiële voorwaarden, zonder welke het proces helemaal niet kan plaatsvinden. Deze arbeidsmiddelen nemen niet direct deel aan het proces, maar zonder deze kan het proces helemaal niet of slechts onvolkomen verlopen. Het algemene arbeidsmiddel van dit soort is wederom de aarde zelf, want de aarde geeft aan de arbeider de locus standi (de plaats, waarop hij staat) en aan zijn activiteit het terrein van zijn handelingen (field of employment). Arbeidsmiddelen van dit soort, die reeds door arbeid tot stand zijn gebracht, zijn bijvoorbeeld werkplaatsen, kanalen, wegen enzovoort.

    In het arbeidsproces brengt de activiteit van de mens met behulp van het arbeidsmiddel een van te voren gewenste verandering van het arbeidsvoorwerp tot stand. Het proces eindigt met het product. Dit product is een gebruikswaarde, een door verandering van vorm aan menselijke behoeften aangepaste natuurstof. De arbeid is één geworden met zijn voorwerp. De arbeid is materie geworden en het voorwerp is verarbeid. Wat aan de kant van de arbeiders in de vorm van beweging te voorschijn kwam, verschijnt nu aan de zijde van het product als eigenschap van rust, in de vorm van het zijn. Hij heeft gesponnen en het product is een weefsel.

    Beschouwt men het gehele proces vanuit het resultaat, het product, dan verschijnen beide, arbeidsmiddel en arbeidsvoorwerp, als productiemiddel[6] en de arbeid zelf als productieve arbeid.[7]

    Evenals een gebruikswaarde als product uit het arbeidsproces te voorschijn komt, gaan andere gebruikswaarden — producten van vroegere arbeidsprocessen — als productiemiddelen in dit arbeidsproces op. Dezelfde gebruikswaarde, die het product is van de ene arbeid, is het productiemiddel voor de andere arbeid. Producten zijn dus niet alleen resultaat, maar tevens voorwaarde van het arbeidsproces.

    Uitgezonderd de extractieve industrie, die haar arbeidsvoorwerp in de natuur aantreft, zoals mijnbouw, jacht, visserij, enzovoort (de landbouw alleen voor zover deze in eerste instantie de maagdelijke bodem zelf voortbrengt), wordt in alle takken van industrie een voorwerp bewerkt, dat grondstof is, dat wil zeggen een arbeidsvoorwerp, dat reeds door arbeid gefiltreerd is, dus zelf al product is van arbeid. Bijvoorbeeld het zaad in de landbouw. Planten en dieren, die men pleegt te beschouwen als voortbrengselen van de natuur, zijn niet slechts de producten van arbeid, welke wellicht het afgelopen jaar werd verricht, maar in hun huidige vorm de producten van een verandering, die onder menselijke controle door menselijke arbeid van vele generaties tot stand is gekomen. Wat echter de arbeidsmiddelen in het bijzonder aangaat: verreweg het grootste deel ervan toont bij de meest oppervlakkige beschouwing de sporen van arbeid uit het verleden.

    De grondstof kan de voornaamste substantie van een product uitmaken of bij de vorming van het product slechts als hulpstof worden gebruikt. De hulpstof wordt door het arbeidsmiddel verbruikt, zoals steenkool door de stoommachine, olie door bet rad, hooi door het trekpaard; of de hulpstof wordt aan de grondstof toegevoegd ten einde een materiële verandering te bewerkstelligen, zoals chloor aan het ongebleekte linnen, kolen aan het ijzer, kleurstof aan de wol; of de hulpstof dient als steun voor de arbeidsverrichting zelf, bijvoorbeeld de stoffen die worden verbruikt voor de verlichting en verwarming van de werkplaats. In de chemische industrie verdwijnt het onderscheid tussen hoofdstof en hulpstof, omdat geen der gebruikte grondstoffen als substantie in het product weer te voorschijn komt.[8]

    Aangezien ieder ding velerlei eigenschappen bezit en dus op verschillende manieren nuttig kan worden aangewend, kan een en hetzelfde product de grondstof vormen voor zeer uiteenlopende arbeidsprocessen. Graan bijvoorbeeld is grondstof voor de molenaar, de fabrikant van stijfsel, de jeneverstoker, de veefokker, enzovoort. Als zaad wordt het graan grondstof voor zijn eigen productie. Zo komt steenkool als product uit de mijnindustrie voort en gaat er als productiemiddel in op.

    In hetzelfde arbeidsproces kan hetzelfde product als arbeidsmiddel en als grondstof dienst doen. Bijvoorbeeld in de vetweiderij, waar het vee, de bewerkte grondstof, tevens middel is voor de bereiding van mest.

    Een product dat zich in een voor directe consumptie geschikte vorm bevindt kan opnieuw de grondstof vormen voor een ander product, bijvoorbeeld druiven als grondstof voor wijn. Anderzijds is het mogelijk dat de arbeid zijn product levert in een vorm, waarin het slechts als grondstof weer bruikbaar is. Grondstof in deze vorm noemt men halffabricaat en zou men beter trapsgewijs fabricaat kunnen noemen, zoals bijvoorbeeld katoen, draad, garen, enzovoort. De oorspronkelijke grondstof kan, ofschoon zelf al product, een gehele reeks van uiteenlopende pro-cessen hebben doorlopen, waarin zij in steeds andere gedaante opnieuw als grondstof dienst doet, tot aan het laatste arbeidsproces, dat het product aflevert als een afgewerkt bestaansmiddel of arbeidsmiddel.

    We zien dus dat het antwoord op de vraag of een gebruikswaarde dienst doet als grondstof, arbeidsmiddel of product geheel en al afhankelijk is van zijn specifieke functie in het arbeidsproces, van de plaats die zij in dat proces inneemt; verandert deze plaats, dan verandert ook deze functie.

    Producten verliezen dus door hun optreden als productiemiddel in nieuwe arbeidsprocessen het karakter van product. Zij functioneren nog slechts als concrete factoren van de levende arbeid. De spinner behandelt het spinnewiel slechts als middel waarmee hij spint en het vlas slechts als voorwerp dat hij spint. Zeer zeker kan men niet zonder spinmateriaal en zonder spinnewiel spinnen. Bij het begin van het spinnen gaat men uit van hun aanwezigheid. Maar voor dit proces zelf doet het er niet toe dat vlas en spinnewiel producten zijn van vroegere arbeid, evenals het er bij het voeden niet toe doet dat brood het product is van vroegere arbeid van de boer, de molenaar, de bakker, enzovoort. Integendeel: wanneer in het arbeidsproces de productiemiddelen hun kenmerk van producten van vroegere arbeid doen gelden, dan komt dat door hun gebreken. Een mes dat niet snijdt, garen dat voortdurend breekt, enzovoort brengen ons de messenmaker A en de garenspinner B levendig voor de geest. Bij het goede product is de herinnering aan het feit, dat de mogelijkheden voor het gebruik werden bewerkstelligd door vroegere arbeid, verdwenen.

    Een machine, die in het arbeidsproces geen dienst doet, is nutteloos. Bovendien valt zij ten prooi aan het vernietigende geweld van de natuurlijke stofwisseling. Het ijzer verroest, het hout vermolmt. Garen, dat niet voor weven of breien wordt gebruikt, is bedorven katoen. De levende arbeid moet deze dingen grijpen, hen uit de doodsslaap wekken, hen omzetten van slechts potentiële in werkelijke en bruikbare gebruikswaarden. Aangetast door het vuur van de arbeid, door de arbeid toegeëigend tot hun theoretische en praktische functies in het proces bezield, worden zij weliswaar óók verteerd, maar op een doelmatige wijze, als vormingselementen van nieuwe gebruikswaarden, van nieuwe producten, die in staat zijn te dienen als middelen van bestaan voor de individuele consumptie of als productiemiddelen in het nieuwe arbeidsproces.

    Indien dus de aanwezige producten niet slechts resultaat, maar ook bestaansvoorwaarde zijn van het arbeidsproces, is anderzijds hun opneming in dat proces, dus hun contact met de levende arbeid, het enige middel om deze producten van vroegere arbeid als gebruikswaarden te handhaven en te realiseren.

    De arbeid verbruikt zijn stoffelijke elementen (voorwerp en middel), verteert hen en derhalve is het een consumptieproces. Deze productieve consumptie onderscheidt zich van de individuele consumptie, doordat de laatste de producten verteert als bestaansmiddel van het levende individu, de eerste als bestaansmiddel van de arbeid van de werkzame arbeidskracht. Het product van de individuele consumptie is dus de consument zelf; het resultaat van de productieve consumptie is een product, dat van de consument te onderscheiden is.

    Voor zover arbeidsmiddel en arbeidsvoorwerp zelf reeds producten zijn, verteert de arbeid producten ten einde producten voort te brengen of verbruikt de arbeid producten als productiemiddel om producten voort te brengen. Zoals het arbeidsproces zich oorspronkelijk alleen afspeelde tussen de mens en de aarde (welke laatste zonder toedoen van de mens aanwezig is), op dezelfde wijze gebruikt hij nog steeds productiemiddelen, die door de natuur worden gegeven en die geen verbindingen zijn van natuurstof en menselijke arbeid.

    Het arbeidsproces, zoals we dit in zijn eenvoudige en abstracte factoren hebben ontbonden, is een doelmatige activiteit om te komen tot vervaardiging van gebruikswaarden, aanpassing van het natuurlijke aan menselijke behoeften, algemene voorwaarde voor de stofwisseling tussen mens en natuur, eeuwige en natuurlijke voorwaarde van het menselijk leven en daardoor onafhankelijk van iedere vorm van dit leven, sterker nog: aan alle maatschappelijke vormen gemeen. Daarom was het niet nodig de arbeider in zijn verhouding tot de andere arbeiders te plaatsen. Het was voor ons voldoende om de mens en zijn arbeid aan de ene kant te zien en de natuur en zijn stoffen aan de andere kant. Zomin men aan de tarwe kan proeven wie het verbouwd heeft, kan men aan het proces zien onder welke voorwaarden het zich heeft voltrokken: onder de wrede zweep van de slavenoppasser of onder het angstige oog van de kapitalist, of Cincinnatus het arbeidsproces verricht door de bebouwing van zijn lapje grond, of de wilde die met een steen een wild beest velt.

Leave a Reply