Verslag discussie kapitalisme

4 jan

Een deelnemer wou de discussie scherpstellen door de vraag te stellen: zijn er nog delen van de wereld die niet kapitalistisch zijn? Er werd ook de vraag gesteld of de VS meer kapitalistisch is dan Europa, volgens de vraagsteller zijn ze miniem.

Iemand merkte op dat kapitalisme voor hem het koloniseren is van alles wat ons mens maakt, maar dat er toch nog menselijke verhoudingen overblijven daarbuiten (bv. aangeboren voordeel altruïsme – Kropotkin?).

Een andere deelnemer wou overzicht krijgen op het kapitalisme door te kijken naar het macro-niveau (invloed media in bv. VS) en het microniveau (op dit niveau halen veel welgestelden geluk uit consumeren en status).

Voor een andere deelnemer is een kapitalist iemand die zijn kapitaal wil vermeerderen, niet omwille van behoeftenbevrediging maar in functie van het kapitaal zelf. Er was overeenstemming dat een cruciaal moment in de geschiedenis het loslaten van de goudstandaard was.

Iemand vertelde over de verandering van producten door ‘industrial designers’ (geen duurzaamheid). De ‘American Dream’ staat in schril contrast met bv. de wachtlijsten en astronomische bedragen voor medische zorgen.

Een deelnemer merkte op dat de oplossing niet in het systeem gevonden kan worden. Marx schreef in zijn tijd al over een overproductiecrisis. De universele wetten van het kapitalisme: meerwaarde, winst, uitbuiting en onderdrukking.

De eerste deelnemer stelde zich vragen bij het begrip ‘neoliberalisme’ dat tegenwoordig opgang maakt. Hiermee wordt gesuggereerd dat we terug naar de jaren 50 moeten (pre-Tatcher). Hij stelde dat het doel van de discussiegroep is inzicht te verwerven.

Iemand stelde dat het moeilijk is te weten wat er gedaan moet worden. Daarvoor moeten mechanismen begrepen worden. En ieder moet zijn eigen manier vinden, aangezien we nog niet dé manier gevonden hebben.

Nog iemand anders opperde dat er misschien verandering kan optreden als grote problemen zich voordoen. Er werd gediscussieerd over de vraag of er al dan niet cyclische crisissen zijn in het kapitalistisch systeem.

Iemand betoonde interesse in het boek ‘Prosperity without growth’ van econoom Tim Jackson. De groei van de economie sputtert, en de vraag is of we naar een samenleving zonder groei kunnen.

Tenslotte werd de vraag gesteld hoe mensen kunnen worden overtuigd met betrekking tot de noodzaak voor verandering. Hier moet rekening gehouden worden met de aantrekkingskracht van geld, al zal het waarschijnlijk steeds slechter gaan. Er werd geopperd dat er meer nood is aan solidariteit (i.p.v. groepen) en communicatie. Nog iemand opperde mensen overtuigen door middel van zingeving.
Datum volgende  discussie: 14/01

One Response to “Verslag discussie kapitalisme”

  1. BIRD januari 11, 2014 at 7:30 am #

    Zoals beloofd op het einde van de discussie plaats ik hierbij een uittreksel uit de korte tekstbundel die de IKS uitbracht (met tekst van Rosa Luxemburg) over het waarom van de overproductiecrisis van het kapitalisme en de grenzen aan de ‘natuurlijke’ groei. Het marktmechanisme van de kapitalistische warenproductie verondersteld immers een voortdurende accumulatie van kapitaal, maar daar zijn grenzen aan. Daarom sprak ik van de gevaren voor de mensheid die een dergelijk decadent systeem in zich draagt.
    Groeten

    “. . . Laten we nu het probleem in zijn allereenvoudigste vorm zonder alle mathematische formules bekijken. De kapitalistische productiemethode wordt beheerst door het winstbelang. Voor elke kapitalist heeft de productie pas dan zin en doel, wanneer deze ertoe leidt dat zij hem, jaar in jaar uit, de zakken vult met ‘zuiver inkomen’, d.w.z. met winst, welke overblijft na al zijn kapitaaluitgaven. Maar het voornaamste doel van de kapitalistische productie — dit in onderscheid met elke andere op uitbuiting berustende vorm van economie — is niet slechts winst in zuiver goud, maar steeds groeiende winst. Voor dit doel maakt de kapitalist gebruik — wederom in kardinale afwijking van andere historische types van uitbuiting — van de vrucht van zijn uitbuiting; niet uitsluitend en niet eens in de eerste plaats voor zijn persoonlijke luxe, maar in toenemende mate ter wille van de vergroting van de uitbuiting zelf. Het grootste deel van de behaalde winst wordt opnieuw tot kapitaal gemaakt en wordt gebruikt voor de verdere vergroting van de productie. Het kapitaal hoopt zich daardoor op. Het wordt volgens de uitdrukking van Marx ‘geaccumuleerd’, en de kapitalistische productie breidt zich steeds meer uit, als voorwaarde voor en als gevolg van de accumulatie.
    Om dit te bereiken is echter de goede wil van de kapitalisten niet voldoende. Het proces is gebonden aan objectieve maatschappelijke voorwaarden, die zich op de volgende wijze laten samenvatten.
    Allereerst moet er voor het mogelijk maken van de uitbuiting in voldoende mate arbeidskracht aanwezig zijn. Het kapitaal zorgt er voor dat dit het geval is, nadat de kapitalistische productiemethode historisch van stapel is gelopen en enigszins is gestabiliseerd door het eigen mechanisme van deze productie. En wel, ten eerste doordat het de werkende loonarbeiders in staat stelt om zich door middel van het ontvangen loon in leven te houden ter wille van de verdere uitbuiting en om zich te vermeerderen door de natuurlijke voortplanting; ten tweede doordat het een steeds ter beschikking staand reserveleger van industrieproletariërs vormt. Dit gebeurt door de bestendige proletarisering van de middengroepen maar ook door de concurrentie, die de loonarbeid ondervindt ten gevolge van de mechanisering in de grote bedrijven.
    Wanneer aan deze voorwaarde is voldaan, dat wil zeggen wanneer er steeds beschikbaar uitbuitingsmateriaal in de vorm van loonproletariaat aanwezig is en het mechanisme van de uitbuiting door het loonsysteem zelf is geregeld, dan moet aan een nieuwe elementaire voorwaarde voor de kapitaalaccumulatie voldaan worden, namelijk de mogelijkheid om in toenemende mate de door de loonarbeiders gefabriceerde waren te verkopen, dit om zowel de eigen onkosten van de kapitalist als ook de uit de arbeidskracht afgeperste meerwaarde te verzilveren.
    “De eerste voorwaarde voor de accumulatie is dat de kapitalist er in geslaagd is om zijn waren te verkopen en het grootste deel van het zo verkregen geld in kapitaal terug te veranderen.” (Het Kapitaal I, Afdeling 7, Inleiding).
    Opdat de accumulatie als een continu proces plaats kan vinden, is het daarom steeds vereist, dat er in groeiende mate afzetmogelijkheden voor de waren bestaan. Zoals wij gezien hebben, schept het kapitaal zelf de elementaire voorwaarden tot uitbuiting. Het eerste deel van Het Kapitaal van Marx heeft dit proces grondig geanalyseerd en beschreven. Hoe staat het nu met de mogelijkheid om de vruchten van die uitbuiting te realiseren, d.w.z. met de afzetmogelijkheden? Waarvan hangen die af? Hangt het soms van de macht van het kapitaal af of kan het door de aard van zijn productie mechanisme de afzet vergroten al naar gelang zijn behoeften, evenals het ook het aantal arbeidskrachten aanpast aan zijn behoeften? Volstrekt niet. Hier komt de afhankelijkheid van het kapitaal van de maatschappelijke condities tot uitdrukking. De kapitalistische productie heeft ondanks al haar kardinale verschillen met andere historische productievormen dit met hen alle gemeen, dat zij uiteindelijk volgens objectieve maatstaven de materiële behoeften van de gemeenschap moet bevredigen; dit ondanks het feit dat deze productie volgens subjectieve maatstaven slechts bedreven wordt met het winstmotief als leidraad; dit laatste subjectieve doel kan echter slechts worden bereikt wanneer de kapitalistische productie er in slaagt haar objectieve taak met succes te verrichten. Pas wanneer zij de maatschappelijke behoeften bevredigen — en al naarmate zij hierin slagen — kunnen de kapitalistische waren worden verkocht en kan de in hen vervatte winst worden verzilverd.
    De bestendige vergroting van de kapitalistische productie, dat wil zeggen de bestendige accumulatie van het kapitaal, is dus gebonden aan een evenzo bestendige vergroting van de maatschappelijke behoeften.
    Maar wat is maatschappelijke behoefte? Laat deze zich op een of andere manier preciseren, is deze op een of andere manier te meten, of zijn we hier slechts aangewezen op vage begrippen?
    Beschouwt men de zaak zoals deze zich voordoet aan de oppervlakte van het economische leven, in de dagelijkse praktijk, dat wil zeggen met de ogen van de individuele kapitalist, dan is het vraagstuk inderdaad onbegrijpelijk. Een kapitalist produceert en verkoopt machines. Zijn afnemers zijn andere kapitalisten, die van hem de machines kopen om daarmee weer op kapitalistische wijze andere waren te produceren. Die ene kapitalist kan dus een betere afzet voor zijn waren vinden, al naar mate de anderen hun productie uitbreiden; hij kan des te sneller accumuleren, naarmate de anderen in hun bedrijfstakken accumuleren. Hier zou dus ‘de maatschappelijke behoefte’, waaraan onze kapitalist gebonden is, de behoefte van de andere kapitalisten zijn. De uitbreiding van zijn productie zou aan dezelfde voorwaarden zijn gebonden als de uitbreiding van de productie van de andere kapitalisten. Weer een andere kapitalist produceert en verkoopt levensmiddelen voor de arbeiders. Hij kan deze des te meer verkopen, dus des te meer kapitaal accumuleren, naarmate er meer arbeiders bij andere kapitalisten (en ook bij hem zelf) zijn aangesteld, of met andere woorden: naarmate andere kapitalisten meer produceren en meer accumuleren. Waarvan echter hangt het af of de ‘anderen’ hun bedrijven kunnen uitbreiden? Ogenschijnlijk weer van de omstandigheid óf ‘deze’ kapitalisten (bijvoorbeeld de producenten van machines of levensmiddelen) in toenemende mate de waren van hen afnemen. De ‘maatschappelijke behoefte’ waarvan de kapitaalaccumulatie afhankelijk is, schijnt zodoende bij nader inzien de kapitaalaccumulatie zelf te zijn. Hoe meer het kapitaal accumuleert des te meer accumuleert het, — op deze holle tautologie of wel op deze duizelingwekkende cirkel schijnt de nadere beschouwing uit te lopen. Er valt niet te constateren waar hier het begin, het initiatief van de impuls moet liggen. Wij draaien kennelijk in een cirkel rond en het probleem loopt ons uit de hand. Dat doet het ook inderdaad, maar alleen zolang wij de zaak vanuit de oppervlakte, dat wil zeggen vanuit het individuele kapitaal — het geliefde platform van de vulgair-econoom — willen onderzoeken.
    De materie krijgt echter terstond een duidelijk reliëf en gestalte, wanneer wij de kapitalistische productie als een geheel — dus vanuit het standpunt van het totale kapitaal — beschouwen. Alleen dit kan gezaghebbend en juist zijn. Dit is nu net het standpunt dat Marx in het tweede boek van Het Kapitaal voor het eerst systematisch ontwikkelt en dat hij tot grondslag heeft gemaakt voor zijn gehele theorie. De soevereine, private existentie van het individuele kapitaal is inderdaad slechts een uiterlijke vorm, het is slechts de oppervlakte van het economische leven, dat evenwel door de vulgair-economen als iets essentieels en als enige bron van kennis wordt beschouwd. Onder deze oppervlakte en door alle tegenstellingen der concurrentie heen blijft het feit, dat alle individuele kapitalen een maatschappelijk geheel vormen. De existentie en de dynamiek van deze kapitalen worden geregeerd door gemeenschappelijke maatschappelijke wetten. Maar deze wetten kunnen zich slechts doen gelden door de planloosheid en de anarchie van het huidige systeem, achter de rug van de individuele kapitalisten om en in strijd met hun denkbeelden, langs een achterdeur, als louter uitzonderingen.
    Vatten wij de kapitalistische productie samen als één geheel, dan laat zich al heel gauw het begrip ‘maatschappelijke behoefte’ verklaren en dit valt dan gemakkelijk te rangschikken.
    Laten wij ons voorstellen, dat alle in de kapitalistische maatschappij gefabriceerde waren elk jaar op één plaats op een grote hoop worden gestapeld, om in de maatschappij als een gezamenlijke massa te worden gebruikt. Dan zouden we al spoedig merken dat deze warenbrij vanzelfsprekend in enige grote porties van verschillende soort en met diverse bestemming uiteenvalt.
    In elke maatschappelijke structuur moest de productie steeds op de een of andere manier in tweeërlei functies voorzien. Zij moest in de eerste plaats zo goed mogelijk in het onderhoud van de maatschappij voorzien, kleding en overige culturele behoeften bevredigen door middel van materiële goederen; met andere woorden, de productie moest kortweg bestaansmiddelen in de ruimste zin van het woord voortbrengen ten behoeve van alle bevolkingslagen en leeftijdsgroepen.
    In de tweede plaats moest elk productiesysteem telkens nieuwe productiemiddelen fabriceren, zoals grondstoffen, werktuigen, fabrieksgebouwen enzovoort, ter vervanging van de verbruikte productiemiddelen; dit moest gewoonweg gebeuren om het voortbestaan van de maatschappij, en dus ook van de verdere arbeid, te verzekeren. Zonder de bevrediging van deze beide, meest elementaire behoeften van elke menselijke samenleving, zouden culturele ontwikkeling en vooruitgang niet mogelijk zijn. De kapitalistische productie moet dan ook ten volle rekening houden met deze elementaire eisen, ondanks alle anarchie en ondanks alle winstmotieven.
    Dienovereenkomstig zullen wij onder het kapitalisme in de hierbovengenoemde warenvoorraad allereerst een grote portie waren aantreffen, die moet dienen voor de vervanging van de in het afgelopen jaar verbruikte productiemiddelen. Dat zijn de nieuwe grondstoffen, machines, gebouwen enzovoort, (wat Marx het ‘constante kapitaal’ noemt). Zij worden door de verschillende kapitalisten in hun bedrijven gefabriceerd en moeten door hen onderling worden geruild, opdat de productie weer in alle bedrijven op de oude schaal kan worden hervat. Tot dusver hadden wij aangenomen, dat het de kapitalistische bedrijven zijn, die zelf alle benodigde productiemiddelen voor het arbeidsproces van de maatschappij leveren; de ruil van de respectievelijke waren op de markt is bij wijze van spreken dan ook niet meer dan een interne aangelegenheid van de kapitalisten. Het geld dat nodig is, om deze warenruil overal tot stand te brengen, komt natuurlijk uit de zak van de kapitalistische klasse zelf — omdat elke ondernemer toch a priori over het benodigde geldkapitaal voor zijn bedrijf moet beschikken — en het keert even natuurlijk, na de voltrokken ruil, vanuit de markt weer terug in de zak van de kapitalistische klasse.
    Aangezien wij hier slechts de vernieuwing van de productiemiddelen tot hun vroegere omvang in beschouwing nemen, is ook dezelfde geldsom jaar in, jaar uit voldoende, om periodiek de wederzijdse verzorging der kapitalisten met productiemiddelen te bemiddelen en steeds weer in hun zakken terug te keren voor een rustpauze.
    Een tweede grote afdeling der kapitalistische warenmassa moet, zoals in iedere maatschappij, de bestaansmiddelen voor de bevolking omvatten. Maar hoe is de rangschikking van deze bevolking in een maatschappij met een kapitalistische structuur en hoe komt zij aan deze voorzieningen? Twee elementaire vormen zijn kenmerkend voor de kapitalistische productiemethode. Ten eerste: de algemene warenruil, dat betekent in dit geval dat niemand uit de bevolking ook maar de geringste voorziening uit de maatschappelijke warenmassa ontvangt, die niet beschikt over koopmiddelen, over geld voor het aankopen van deze waren. Ten tweede: een kapitalistisch loonsysteem, dat wil zeggen een situatie waarbij de grote massa van het werkende volk slechts door aanbod van hun arbeidskracht aan de kapitalisten aan koopmiddelen voor waren kan komen, een situatie waar de bezittende klasse slechts door het benutten van deze omstandigheid in haar bestaan kan voorzien. Zo veronderstelt de kapitalistische productie vanzelf twee grote klassen in de bevolking, namelijk kapitalisten en arbeiders, die voor wat betreft de voorziening in hun bestaansmiddelen een totaal verschillend uitgangspunt hebben.
    De arbeiders moeten, hoe onverschillig hun lot de individuele kapitalist ook laat, op zijn minst in zoverre worden gevoed, dat hun arbeidskracht bruikbaar blijft voor de doeleinden van de kapitalisten, zodat zij dus in stand worden gehouden voor de verdere uitbuiting. Uit de totale hoeveelheid waren, die door de arbeiders wordt geproduceerd, wordt hen dus jaarlijks door de kapitalistische klasse een bepaalde hoeveelheid bestaansmiddelen toegewezen, al naar gelang hun bruikbaarheid voor de productie.
    Voor de aankoop van deze waren krijgen de arbeiders van hun ondernemers loon in de vorm van geld. Langs de weg van ruil krijgt dus de arbeidersklasse jaarlijks voor de verkoop van haar arbeidskracht van de kapitalistenklasse eerst een bepaalde som geld, waarmee zij op haar beurt weer een hoeveelheid bestaansmiddelen koopt uit de maatschappelijke warenmassa; deze is immers het eigendom van de kapitalisten. De hoeveelheid bestaansmiddelen, die hen wordt toegekend, stemt overeen met de stand van de culturele vooruitgang en met de stand van de klassenstrijd.
    Het geld dat door deze tweede grote ruil in de maatschappij in circulatie wordt gebracht komt dus weer uit de zak van de kapitalisten: elke kapitalist moet voor de bedrijfsvoering van zijn onderneming het door Marx zogenoemde ‘variabele kapitaal’, dat wil zeggen het benodigde geldkapitaal voor de aankoop van de arbeidskrachten, voorschieten. Nadat de arbeiders overal hun bestaansmiddelen hebben ingekocht (en elke arbeider moet dit doen voor het onderhoud van zichzelf en zijn familie), keert dit geld echter weer tot aan de laatste cent terug in de zak van de kapitalisten als klasse. Het zijn toch immers kapitalistische ondernemers, die aan de arbeiders de bestaansmiddelen in de vorm van waren verkopen. Laten we nu eens de consumptie van de kapitalisten zelf bekijken. De bestaansmiddelen van de kapitalistische klasse behoren haar reeds als warenmassa toe, voordat er enige ruil heeft plaats gevonden, omdat onder kapitalistische verhoudingen alle waren over het algemeen — met uitzondering van die unieke waar, de ‘arbeidskracht’ — als eigendom van het kapitaal ter wereld komen. Uiteraard komen die ‘betere’ bestaansmiddelen, juist omdat zij waren zijn, slechts als eigendom van vele versplinterde particuliere kapitalisten, als respectievelijke particuliere eigendom van iedere individuele kapitalist ter wereld. Zo moet er ook onder de kapitalisten een ruil van hand tot hand naar alle kanten plaats vinden wil de kapitalistische klasse deelachtig worden aan de haar toebehorende hoeveelheid bestaansmiddelen, evenals dat het geval is bij het constante kapitaal. Ook deze maatschappelijke ruil vindt plaats door middel van geld en de voor dit doel benodigde hoeveelheden geld moeten wederom door de kapitalisten zelf in omloop worden gebracht. Evenals bij de vernieuwing van het constante kapitaal, is er dus weer sprake van een interne aangelegenheid van de ondernemersklasse. Na de voltrokken ruil keert ook deze geldsom steeds weer terug in de zak van de gezamenlijke klasse van kapitalisten, waar dit geld trouwens vandaan kwam.
    Hetzelfde mechanisme van kapitalistische uitbuiting, dat in het algemeen de loonverhoudingen regelt, zorgt er voor, dat er ook werkelijk ieder jaar de noodzakelijke hoeveelheid bestaansmiddelen, met de nodige luxe voor de kapitalisten, wordt geproduceerd. Zouden de arbeiders slechts zoveel bestaansmiddelen vervaardigen als zij nodig hebben voor hun eigen onderhoud, dan zou hun tewerkstelling, vanuit het standpunt van de kapitalisten, zinloos zijn. Het aanstellen van arbeiders begint pas zin te krijgen, wanneer zij boven hun eigen onderhoud uit — hetgeen overeenkomt met hun loon — ook nog het onderhoud van hun ‘broodheren’ op hun schouders nemen; met andere woorden, wanneer zij voor de kapitalisten, volgens de terminologie van Marx, ‘meerwaarde’ voortbrengen. Deze meerwaarde moet er o.a. toe dienen om aan de kapitalistische klasse, precies zoals aan elke uitbuitende klasse in vroegere historische periodes, het noodzakelijke levensonderhoud en de nodige luxe te verschaffen. De kapitalisten behoeven dan nog slechts de bijzondere moeite te nemen om door wederkerige ruil van de respectievelijke waren en door het aanschaffen van de hiervoor benodigde geldmiddelen, zorg te dragen voor de eigen existentie ‘vol doornen en ontberingen’, alsook voor haar eigen natuurlijke voortplanting.
    Daarmee zouden dan twee belangrijke sectoren uit de totale warenbrij van onze maatschappij zijn verklaard, namelijk de productiemiddelen ter vernieuwing van het arbeidsproces en de bestaansmiddelen voor het onderhoud van de bevolking, dat wil zeggen enerzijds het onderhoud van de arbeidersklasse en anderzijds dat van de kapitalisten.
    Het zou gemakkelijk de schijn kunnen wekken, dat wij met de bovengenoemde beschrijving een nog al fantastisch beeld hebben gegeven.
    Waar is heden de kapitalist, die weet wat en hoeveel er nodig is voor de vervanging van het gebruikte gezamenlijke kapitaal en voor het levensonderhoud van de gehele klasse van arbeiders of kapitalisten? Trouwens welke kapitalist bekommert zich hierom? Immers, elke ondernemer produceert er blindelings op los, in wedijver met de anderen; ieder ziet slechts dat, wat hem onder ogen komt. Maar ondanks deze warboel van concurrentie en anarchie bestaan er klaarblijkelijk nog onzichtbare regels die zich doen gelden, anders zou de kapitalistische maatschappij reeds lang ten onder zijn gegaan. De economie als wetenschap, en speciaal de economische leer van Marx is er op gericht om juist die verborgen wetten aan te tonen, die ondanks de warboel van de vrije economie toch de orde en het onderlinge verband van het maatschappelijke geheel handhaven. Wij moeten nu een nader onderzoek instellen naar de objectieve onzichtbare regels van de kapitalistische accumulatie, en wel met betrekking tot de kapitaalophoping door middel van voortschrijdende productie-uitbreiding. De hier beschreven wetten zijn niet beslissend voor het bewust handelen van de individuele kapitalisten. Ook bestaat er geen gezamenlijk orgaan van de maatschappij, dat deze wetten bewust ontwerpt en ten uitvoer brengt. Daaruit volgt dat de huidige productie slechts met horten en stoten, door louter te veel of te weinig, door louter prijsschommelingen en crisis, haar taak kan verrichten. Maar juist deze prijsschommelingen en crisis betekenen tenslotte voor de maatschappij in haar geheel, dat zij de chaotische privé-productie van tijd tot tijd steeds weer op het spoor van de totale samenhang moet brengen. Immers, zonder deze correcties zou de maatschappij al gauw stuk lopen. Wij zullen nu trachten om in marxistische zin de betrekkingen van de gezamenlijke kapitalistische productie tot de maatschappelijke behoefte in grote lijnen te ontwerpen. Wij concentreren ons dan op de basis van het probleem en verwaarlozen voorlopig de specifieke methoden van het kapitalisme: zoals prijsschommelingen en crisis, waarmee het deze relaties laat fungeren.
    Met de twee hierboven beschreven grote porties uit de warenmassa van de maatschappij is het probleem toch niet uitputtend behandeld. Zou de uitbuiting der arbeiders er slechts toe dienen om aan de uitbuiters een leven in weelde toe te staan, dan zouden wij een soort gemoderniseerde slavenmaatschappij hebben of een middeleeuwse feodale maatschappij, maar niet de moderne heerschappij van het kapitaal. Haar levensdoel en roeping is: winst in de vorm van geld, ophoping van geldkapitaal. De eigenlijke historische betekenis van de productie begint dus pas daar waar de uitbuiting voorbij deze grens gaat. De meerwaarde moet niet alleen voldoende zijn om aan de kapitalisten een bestaan ‘conform hun stand’ te veroorloven, maar deze moet daarnaast nog een gedeelte bevatten dat voor de accumulatie is bestemd. Ja, dit dominerende, dit eigenlijke doel is zó doorslaggevend, dat de arbeiders slechts in het arbeidsproces worden ingeschakeld, d.w.z. in de gelegenheid worden gebracht om voor zichzelf bestaansmiddelen aan te schaffen, voor zover zij deze voor de accumulatie bestemde winst voortbrengen en voor zover er vooruitzichten bestaan, dat deze winst ook daadwerkelijk in geldvorm kan worden geaccumuleerd.
    In de door ons beschreven gezamenlijke warenvoorraad van de kapitalistische maatschappij moeten we dus ook nog een derde portie waren aantreffen, die noch ter vernieuwing van de verbruikte productiemiddelen, noch voor het onderhoud van arbeiders of kapitalisten is bestemd; dit alles hebben wij reeds uit de doeken gedaan. Een bepaalde hoeveelheid van deze waren bevat het onschatbare deel van de uit de arbeiders geperste meerwaarde, dat in feite het levensdoel van het kapitaal voorstelt: namelijk de winst welke dient voor de kapitalisatie, voor de accumulatie. Wat voor soort waren zijn dat nu en wie in de maatschappij heeft er behoefte aan? Wie neemt ze weer van de kapitalisten af om hen te helpen aan het belangrijkste deel van de winst in zuiver goed?
    Hier zijn wij gekomen aan de kern van het accumulatieproces en moeten wij alle pogingen om het probleem op te lossen nauwkeurig onderzoeken.
    Zijn het soms de arbeiders, die de laatste portie waren afnemen uit de maatschappelijke warenvoorraad? Maar de arbeiders bezitten helemaal geen koopmiddelen, zij bezitten slechts lonen, die hun door de ondernemers zijn overhandigd. Slechts voor de grootte van deze loonsom zijn zij de afnemers van een karig toegewezen gedeelte van het totale maatschappelijke product. Boven dat bedrag kunnen zij geen cent uitgeven aan kapitalistische waren, hoeveel onbevredigde levensbehoeften zij nog mogen hebben. Het streven en het belang van de kapitalisten is er trouwens niet op gericht om de hoeveelheid van de door de arbeiders geconsumeerde waren uit het totale maatschappelijke product zo royaal mogelijk uit te meten; neen de kapitalisten wensen de koopmiddelen van de arbeiders zo beperkt mogelijk te houden. Immers vanuit het standpunt der kapitalisten als gezamenlijke klasse — het is erg belangrijk om dit standpunt vast te houden in onderscheid met de verwarde voorstellingen van de individuele kapitalist — zijn de arbeiders voor hen geen afnemers van waren, geen ‘klanten’ zoals anderen, maar enkel arbeidskracht, wier onderhoud uit een gedeelte van het eigen product bittere noodzaak is. Dit onderhoud wordt dan ook gereduceerd tot een sociaal toelaatbaar minimum. Zijn dan soms de kapitalisten zelf de afnemers voor die laatste hoeveelheid van hun maatschappelijke warenmassa? Door het vergroten van hun eigen particuliere consumptie? Zoiets zou misschien te realiseren zijn, hoewel er ook zonder dat al rijkelijk is gezorgd voor de luxe van de heersende klasse, zelfs met inbegrip van allerlei onzinnigheid. Echter als de kapitalisten de volledige uit de arbeiders geperste meerwaarde tot aan het laatste restje zelf zouden verorberen, kwam er niets van de accumulatie terecht. Wij hadden dan vanuit het standpunt van het kapitaal de volkomen fantastische terugval in een soort gemoderniseerde slavenmaatschappij of feodalisme. Nu is weliswaar het omgekeerde wel denkbaar en wordt ook af en toe vlijtig toegepast: kapitalistische accumulatie met uitbuitingsvormen van slavernij of lijfeigenschap hebben wij tot aan omstreeks 1860 in de Verenigde Staten, nu nog in Roemenië en in verschillende overzeese koloniën kunnen waarnemen. Maar het tegenovergestelde geval: een moderne vorm van uitbuiting, dus een vrije loonverhouding met achteraf een antieke of feodale verorbering van de meerwaarde met verwaarlozing van de accumulatie, deze doodzonde tegen de heilige geest van het kapitalisme is eenvoudig ondenkbaar. Wederom is er hier een wezenlijk verschil in standpunt al naar gelang men uitgaat van dat van het gezamenlijke kapitaal of dat van de individuele ondernemer. De laatste bijvoorbeeld ziet ook de luxe van de ‘grote heren’ als een gewenste vergroting van afzet, dus een prima gelegenheid voor accumulatie. Voor alle kapitalisten tezamen, als klasse, is het verteren van de gezamenlijke meerwaarde in luxe een grote waanzin, economische zelfmoord omdat het juist de vernietiging van de accumulatie tot in de wortel betekent.
    Wie kan nu de afnemer zijn, de consument van de maatschappelijke warenportie, waarvan de verkoop pas tot accumulatie kan leiden? Zoveel is duidelijk: het kunnen nòch de arbeiders, nòch de kapitalisten zelf zijn.
    Bestaan er echter in de maatschappij niet nog allerlei groepen, zoals ambtenaren, militairen, geestelijken, geleerden, artiesten, die noch bij de arbeiders noch bij de ondernemers gerekend kunnen worden? Bevredigen niet al deze bevolkingscategorieën ook hun consumptieve behoeften? Fungeren zij niet als de gezochte afnemers voor het warenoverschot? Dit is wederom stellig het geval voor de individuele kapitalist! Het is echter anders wanneer we alle ondernemers als klasse beschouwen: wanneer we letten op het gezamenlijke maatschappelijke kapitaal. In de kapitalistische maatschappij zijn alle bovengenoemde groepen en beroepen, economisch gezien, slechts een aanhangsel van de kapitalistische klasse. Vragen wij waar de ambtenaren, militairen, geestelijken, artiesten enz. hun koopkracht betrekken, dan blijkt dat deze koopkracht ten dele uit de zak van de kapitalisten, ten dele (via het indirecte belastingstelsel) uit de arbeiderslonen verkregen wordt. Deze groepen gelden dus volgens economische maatstaven voor het gezamenlijke kapitaal niet als een bijzondere klasse van consumenten, omdat zij geen zelfstandige bron van koopkracht bezitten. Veeleer zijn zij parasieten van de beide grote groepen: kapitalisten en arbeiders; zij worden gefinancierd uit de consumptiesector van deze groepen.
    Wij zien dus nog steeds geen afnemers, geen mogelijkheid, om de laatste hoeveelheid waren aan de man te brengen, terwijl toch de verkoop hiervan pas tot accumulatie kan leiden. Maar tenslotte is de uitweg uit de moeilijkheid misschien heel eenvoudig en lijken we wellicht op de ruiter die zocht naar de knol waarop hij gezeten was. Zijn soms de kapitalisten elkaars eigen afnemers ook voor het restant van de waren — weliswaar niet om het te verbrassen, maar juist om het te gebruiken voor de productie-uitbreiding, voor de accumulatie? Immers wat is accumulatie anders dan juist uitbreiding van kapitalistische productie? Maar dan moeten die waren, om aan dat doel te beantwoorden, niet bestaan uit luxevoorwerpen voor de privé-consumptie van de kapitalisten; zij zouden dan moeten bestaan uit allerlei productiemiddelen (nieuw constant kapitaal) en uit bestaansmiddelen voor de arbeiders.
    Wel, laten we dat dan eens aannemen. Zo’n oplossing verschuift evenwel slechts de moeilijkheid van het ene moment naar het andere. Immers als we stellen, dat accumulatie heeft plaatsgevonden en dat de uitgebreide productie het volgend jaar een nog veel grotere hoeveelheid waren op de markt gooit dan dit jaar, dan rijst opnieuw de vraag: waar vinden we nu de afnemers voor deze nog grotere hoeveelheid waren?
    Wellicht is het volgende antwoord denkbaar: wel, deze grotere hoeveelheid waren zal ook het volgend jaar weer door de kapitalisten zelf onderling worden geruild en door hen allen worden verbruikt om opnieuw de productie uit te breiden — enzovoort van jaar tot jaar. We hebben dan met een carrousel te maken die in het luchtledig om zichzelf heen draait. Dat is dan niet kapitalistische accumulatie, d.w.z. opeenhoping van geldkapitaal, maar het tegendeel: een productie van waren ter wille van het produceren, dus vanuit kapitalistisch oogpunt een volstrekte zinloosheid. Wanneer steeds de kapitalisten als klasse slechts zelf afnemers zouden zijn van hun gezamenlijke warenmassa — afgezien van het deel dat zij telkens voor het onderhoud van de arbeidersklasse opzij moeten leggen — wanneer zij van zichzelf met eigen geld steeds de waren zouden kopen en de daarin vervatte meerwaarde zouden moeten ‘verzilveren’ —, dan zou een opeenhoping van de winst, d.w.z. accumulatie, bij de klasse van kapitalisten in haar geheel genomen, onmogelijk kunnen plaatsvinden.
    Wil er sprake zijn van accumulatie, dan is hiervoor nodig dat er een groot aantal andere afnemers van deze hoeveelheid waren te vinden is, omdat deze waren de winst bevatten, die moet dienen voor de accumulatie. Deze afnemers moeten hun eigen koopmiddelen uit zelfstandige bronnen betrekken en niet halen uit de zakken van de kapitalisten, zoals de arbeiders of de collaborateurs van het kapitaal: rijksambtenaren, militairen, geestelijkheid, vrije beroepen. Dit moeten dus afnemers zijn die koopmiddelen verkrijgen op grond van warenruil, dus ook uit een warenproductie, die plaats vindt buiten de kapitalistische sfeer. Het moeten dus producenten zijn wier productiemiddelen er niet als kapitaal uitzien en die zelfs niet behoren tot de twee categorieën: kapitalisten en arbeiders; zij moeten echter op de een of andere wijze behoefte aan kapitalistische waren hebben.
    Waar bevinden zich zulke afnemers? Buiten de kapitalisten met hun tros van parasieten bestaan er toch in de huidige maatschappij geen klassen of groepen! Hier komen we aan de kern van de vraag. In het tweede deel van Het Kapitaal, stelt Marx evenals in het eerste deel, als hypothese dat de kapitalistische productie de enige en uitsluitende productievorm is. In het eerste deel zegt hij:
    “We laten hier de export buiten beschouwing; dank zij deze handel kan een natie luxeartikelen in productie of consumptiegoederen omzetten en omgekeerd. Om het object van onderzoek geheel zuiver en vrij van storende en bijkomstige omstandigheden te houden, moeten wij hier de gehele handelswereld beschouwen als één natie en vooropstellen, dat de kapitalistische productie zich overal heeft gevestigd en zich van alle takken van industrie heeft meester gemaakt”. (blz. 446, noot 21 a)[18].
    En in het tweede deel:
    “Buiten deze klasse (de kapitalisten) bestaat er volgens onze hypothese — algemene en uitsluitende heerschappij der kapitalistische productie — beslist geen andere klasse dan de arbeidersklasse.” (S. 321).
    Volgens deze hypothese bestaan er weliswaar in de maatschappij slechts kapitalisten met aanhang en loonproletariërs, andere groepen, andere warenproducenten en consumenten, zijn onvindbaar. Maar als dat zo is staat de kapitalistische accumulatie, zoals ik heb getracht uit te leggen, juist voor het onoplosbare vraagstuk waar wij nu tenslotte zijn beland.
    Men kan draaien en keren, zoals men wil, zo lang wij volharden in de hypothese dat er in de maatschappij geen andere bevolkingslagen zijn dan kapitalisten en loonarbeiders, is het voor de kapitalisten, als gezamenlijke klasse, onmogelijk om haar overtollige waren kwijt te raken, om de meerwaarde te verzilveren en zo het kapitaal te kunnen accumuleren.
    Maar de hypothese van Marx is slechts een theoretische veronderstelling ter vergemakkelijking en vereenvoudiging van het onderzoek. In werkelijkheid is de kapitalistische productie, zoals ieder weet en zoals Marx zelf enige malen nadrukkelijk in Het Kapitaal heeft vastgesteld, volstrekt niet de enige en uitsluitend voorkomende. In werkelijkheid bestaan er in alle kapitalistische landen, ook in die met een zeer ontwikkelde grote industrie, naast kapitalistische ondernemingen in de nijverheid en de landbouw nog talrijke ambachtelijke- en boerenbedrijven, die eenvoudige warenproductie bedrijven. In werkelijkheid bestaan er naast oude kapitalistische landen zelfs in Europa nog landen, waarin de boeren- en ambachtelijke productie tot nu toe zelfs sterk overwegen, zoals Rusland, de Balkan, Scandinavië, Spanje. En tenslotte bestaan er, naast het kapitalistische Europa en Noord-Amerika, geweldige continenten waarop de kapitalistische productie pas op een paar verspreide punten wortel heeft geschoten. De volkeren van die continenten vertonen overigens de meest verschillende economische structuren, vanaf de meest primitief-communistische tot aan feodale, agrarische en ambachtelijke. Al deze vormen van maatschappij en van productie bestaan en bestonden niet alleen in geografische zin rustig naast het kapitalisme, maar er ontwikkelde zich vanaf het begin van het kapitalistische tijdperk een levendige stofwisseling van een heel eigen type, een stofwisseling tussen deze maatschappijvormen en het Europese kapitaal. De kapitalistische productie is als een echte massaproductie aangewezen op afnemers uit boeren- en ambachtelijke kringen van de oude landen, en ook op consumenten van alle andere landen. Bovendien kan de kapitalistische productie technisch helemaal niet functioneren zonder de producten van deze bevolkingslagen en uit deze landen (hetzij als productiemiddelen, hetzij als consumptiegoederen).
    Vanaf het begin al moest er zich zodoende tussen de kapitalistische productie en haar niet-kapitalistische omgeving een ruilrelatie ontwikkelen. Hierbij vond het kapitaal zowel de mogelijkheid om de eigen meerwaarde ter verdere kapitalisatie te verzilveren, als ook de kans om zich allerlei noodzakelijke waren te verschaffen voor de eigen productie-uitbreiding.
    Tenslotte kreeg het kapitaal de mogelijkheid om steeds weer nieuwe geproletariseerde arbeidskrachten aan te trekken door het absorberen van de niet-kapitalistische productiesystemen.
    Dit evenwel is alleen maar de naakte economische inhoud van deze betrekkingen. In werkelijkheid wordt het gehele historische ontwikkelingsproces in de wereld, met al de daarmee gepaard gaande bonte en beweeglijke variatie, bepaald door de concrete vorm van deze betrekkingen.
    Het ruilverkeer van het kapitaal met zijn niet-kapitalistische omgeving stuitte allereerst op moeilijkheden van de natuureconomie, van de patriarchale boereneconomie en op die van het ambachtelijke bedrijf. Voor het overwinnen van deze moeilijkheden nam het kapitaal zijn toevlucht tot ‘heldhaftige middelen’, het greep naar de bijl van het politieke geweld! In Europa zelf was de revolutionaire overwinning op de feodale natuureconomie het eerste gebaar van het kapitalisme. In de overzeese landen was het de knechting en de verwoesting van de traditionele collectieve volksgemeenschap. Als geboorteakte van het kapitaal was dit in de wereldgeschiedenis een unieke gebeurtenis; het bleef sindsdien een voortdurend begeleidend verschijnsel van de accumulatie. Door de verwoesting van het agrarisch-patriarchale milieu van die landen, een primitief milieu, dat geheel was aangewezen op natuureconomie, opende het Europese kapitaal aldaar de poorten voor de warenruil en de warenproductie. Het veranderde de inwoners van die landen in afnemers van kapitalistische waren en versnelde tegelijkertijd in enorm tempo de eigen accumulatie door rechtstreeks en op massale wijze de onderworpen volken te beroven van hun bodemschatten en opgespaarde rijkdommen. Sedert het begin van de 19de eeuw gaat de uitvoer van het geaccumuleerde kapitaal uit Europa naar de niet-kapitalistische landen van andere werelddelen met zulke methodes gepaard. Dit geëxporteerde kapitaal vindt dan een nieuwe kring van warenafnemers op nieuw terrein en op de puinhopen van inheemse productiesystemen; daarmee volgt weer een verdere mogelijkheid tot accumulatie.
    Het kapitalisme breidt zich zo steeds meer uit, dank zij de wisselwerking met niet-kapitalistische maatschappelijke groepen en landen, doordat het op hun kosten accumuleert. Tegelijkertijd vreet het hen aan en worden zij verdrongen door het kapitaal, dat zelf hun plaats gaat innemen. Hoe meer kapitalistische landen echter aan deze jacht naar accumulatiegebieden gaan deelnemen en hoe schaarser de niet-kapitalistische gebieden, die nog openstaan voor de wereldexpansie van het kapitaal worden, des te verbitterder wordt de concurrentiestrijd van het kapitaal om deze accumulatiegebieden, des te meer veranderen deze strooptochten op het wereldtoneel in een reeks van economische en politieke catastrofes: wereldcrisis, oorlogen, revoluties.
    Door dit proces bereidt het kapitaal evenwel in tweeërlei opzicht zijn eigen ondergang voor. Door de uitbreiding op kosten van alle niet-kapitalistische productiesystemen beweegt het zich naar dat historische moment, waarop inderdaad de gehele mensheid alleen maar uit kapitalisten en loonproletariërs bestaat; een verdere uitbreiding — accumulatie — wordt dan dus onmogelijk. Naarmate deze tendens voortschrijdt, worden hierdoor gelijktijdig de klassentegenstellingen, de internationale economische en politieke anarchie verscherpt. Dit heeft tot gevolg dat het internationale proletariaat in opstand moet komen tegen het voortbestaan van de kapitalistische productiesystemen in de wereld. Deze opstand zal plaats vinden lang voordat het laatste stadium van de economische ontwikkeling — de absolute en ongedeelde wereldheerschappij van het kapitaal — is bereikt.
    . . . Het standpunt van de ‘experts’ leidt nu evenwel tot een aantal interessante gevolgtrekkingen; zij hebben zich geen moeite genomen om hierover verder na te denken.
    Eerste gevolgtrekking: Als de kapitalistische productie een onbeperkte afnemer van zichzelf zou zijn, met andere woorden als de productie en de afzetmarkt identiek zouden zijn, dan zouden ook crisis als periodiek verschijnsel onverklaarbaar worden. Aangezien de productie ‘zoals de schema’s aantonen’ naar believen kan accumuleren — zij gebruikt immers haar eigen groei telkens opnieuw voor de verdere expansie — blijft het toch raadselachtig hoe en waarom er toestanden kunnen voorkomen, waarbij de kapitalistische productie niet voldoende afzet voor haar waren kan vinden. Ze zou toch slechts, volgens het recept van onze ‘experts’, de overtollige waren zelf hoeven te verorberen of in de productie te steken (ten dele als productiemiddelen en ten dele als bestaansmiddelen voor de arbeiders), en ‘evenzo in elk volgend jaar’ zoals ‘de tabel IV’ van Otto Bauer aantoont. Het onverteerbare warenrestant zou zich dan daarentegen veranderen in nieuwe overwinningen van accumulatie en winstmakerij. In elk geval zou dan de specifieke opvatting van Marx over de crisis absurd worden, namelijk zijn opvatting dat de crisis zou ontstaan door de tendens van het kapitaal om steeds in de kortst mogelijke tijd de grenzen van een gegeven markt te overschrijden. Immers hoe zou in feite de productie de grenzen van de markt kunnen overschrijden als ze zelf haar eigen markt voorstelt, en dit ook steeds automatisch blijft? Wanneer de markt steeds evenveel toeneemt als de productie? Hoe zou met andere woorden de kapitalistische productie periodiek zichzelf kunnen overschrijden? Zij kan dit net zomin als dat iemand over zijn eigen schaduw kan springen. De kapitalistische crisis zou zo een onbegrijpelijk fenomeen worden. Wellicht is er hier dan een verklaring, namelijk: de crisis ontstaat niet door de wanverhouding tussen de expansiemogelijkheid van de kapitalistische productie en de expansiemogelijkheid van de afzetmarkt, maar uitsluitend door de wanverhouding tussen de verschillende kapitalistische bedrijfstakken. Deze zouden op zichzelf in voldoende mate warenafnemers voor elkaar kunnen zijn; maar ten gevolge van de anarchie in de productie wordt er, volgens deze theorie, niet de juiste hoeveelheid waren geproduceerd, en wel van sommige te veel, van andere te weinig. Met zo’n opvatting keren wij Marx de rug toe en belanden wij tenslotte bij de door hem zo grondig bespotte aartsvader van de vulgaire economie, bij de Manchesterschool en de burgerlijke harmonieën, bij de ‘ridder van de droevige figuur’ Say, die reeds in 1803 het volgende dogma verkondigde:
    “Het is een absurde opvatting te menen dat er een teveel van alle waren kan worden geproduceerd; er kunnen geen algemene crisis bestaan en alleen maar partiële. Wanneer dus een land een teveel heeft aan bepaalde waren, dan bewijst dat slechts dat het te weinig van een willekeurige andere waar heeft geproduceerd.”
    Tweede gevolgtrekking: Wanneer de kapitalistische productie voor zichzelf een voldoende afzetmarkt biedt, dan is de kapitalistische accumulatie (objectief gezien) een onbeperkt proces. Omdat de productie, volgens deze theorie, niettemin ongestoord zou blijven groeien en omdat er geen beperkingen worden gesteld aan de economische ontwikkeling van het kapitaal, zelfs wanneer de hele wereld zonder uitzondering door het kapitaal zou worden beheerst en de hele mensheid uit louter kapitalisten en loonproletariërs zou bestaan, valt hierdoor een specifieke steunpilaar van het socialisme omver, hetgeen indruist tegen de theorie van Marx. Volgens Marx is de rebellie van de arbeiders een ideologische afspiegeling van de objectieve historische noodzaak van het socialisme. Deze noodzaak ontstaat omdat het kapitalisme in objectieve zin op een bepaalde hoogte van zijn ontwikkeling economisch onmogelijk wordt. In deze theorie vinden de arbeiders juist de garantie die naar de overwinning zal leiden. Hiermee is uiteraard niet gezegd, dat het historische proces tot aan de rand van deze economische onmogelijkheid moet of kan worden voltooid. Zulke restricties uit het ABC van het marxisme zijn voor onze ‘experts’, zoals we zullen zien, nog steeds onontbeerlijk! De objectieve richting van de kapitalistische ontwikkeling naar dat einddoel, is op zichzelf al voldoende om te zorgen dat er in de maatschappij reeds veel eerder een dergelijke sociale en politieke verscherping van de tegenstellingen optreedt, dat de toestanden onhoudbaar worden en het einde van het systeem moet worden voorbereid. Maar deze sociale en politieke tegenstellingen zijn zelf in laatste instantie slechts het product van de economische onhoudbaarheid van het kapitalistische systeem. Juist op grond hiervan en in evenredigheid met het concreet voelbaar worden van deze onhoudbaarheid wordt de radicalisering van deze tegenstelling groter.
    Zouden we daarentegen, met onze ‘experts’, aannemen dat de kapitalistische accumulatie in economische zin onbeperkt is, dan ontvalt daarmee aan het socialisme de granieten bodem van de objectieve historische noodzaak. Wij vervluchtigen dan in de nevel van systemen en scholen uit de tijd vóór Marx, die het socialisme wilden afleiden uit de pure onrechtvaardigheid en slechtheid van de tegenwoordige wereld en uit de loutere revolutionaire vastberadenheid van de werkende klassen.
    Derde gevolgtrekking: Wanneer de kapitalistische productie voor zichzelf een voldoende markt zou vormen, het zou toelaten, dat de productie steeds met de geaccumuleerde waarde wordt vergroot, dan wordt nog een ander verschijnsel van de moderne ontwikkeling onverklaarbaar: de haast en de jacht naar de meest afgelegen afzetmarkten en de kapitaalexport, d.w.z. de meest markante manifestaties van het huidige imperialisme. Inderdaad onbegrijpelijk!
    Waartoe al die herrie? Waartoe de verovering der koloniën, waartoe de opiumoorlogen uit de jaren 1840 tot 1870 en de tegenwoordige kloppartijen om de Congo-moerassen en de woestijnen in het Nabije Oosten? Het kapitaal zou toch thuis kunnen blijven en zich behoorlijk kunnen voeden? Krupp produceert immers opgewekt voor Thyssen, Thyssen voor Krupp, laten ze toch slechts het eigen kapitaal steeds weer in eigen bedrijf investeren en deze bedrijven voor elkaar uitbreiden en zo verder binnen deze kring. De historische beweging van het kapitaal zou dan eenvoudig onbegrijpelijk worden en daarmee ook het huidige imperialisme.
    Of rest ons dan de onbetaalbare verklaring van Pannekoek in de Bremer Bürgerzeitung: het zoeken naar niet-kapitalistische afzetmarkten is weliswaar ‘feit, maar geen noodzaak’, hetgeen waarachtig een parel der materialistische opvatting over de geschiedenis is. Zeer juist overigens! Met de hypothese der ‘experts’ houden het socialisme als einddoel en het imperialisme — als voorbereidend stadium daarvan — op historische noodzaak te zijn. Het één wordt tot een prijzenswaardig besluit van de arbeidersklasse, het ander tot een onbenulligheid en verblinding van de bourgeoisie.
    Zo komen de ‘experts’ bij een alternatief dat zij niet kunnen ontlopen. Of de kapitalistische productie en de afzetmarkt zijn identiek, zoals men dit afleidt uit de schema’s van Marx — dàn gaan de crisistheorie van Marx, zijn stellingen over het socialisme en zijn historisch-materialistische verklaring over het imperialisme niet op. Of wel kan het kapitaal slechts accumuleren voor zover het buiten de kring van kapitalisten en loontrekkers in de maatschappij consumenten aantreft; maar dan is de voorwaarde tot accumulatie — groeiende afzet in niet-kapitalistische groepen en landen — onvermijdelijk.”
    R.L.

Leave a Reply