Verslag – Media en sociale strijd

12 apr

Inleiding

11 deelnemers hadden op dinsdag 5 april hun weg gevonden naar het ondertussen vertrouwde Café Multatuli waar er gediscussieerd zou worden over de rol van de media en dan meer specifiek ocer de relatie tussen media en sociale strijd en over de rol van de media in de maatschappij. Dit is het verslag van deze discussie. Er is meer gezegd dan wat hier instaat. Deze tekst is een mengeling aspecten van inleiding, tussenkomsten en persoonlijke reflecties achteraf, maar voel u vrij om er zaken aan toe te voegen.

Aanleiding van deze discussie was de opkomst van de termen van Twitter en Facebookrevolutie sinds de opstanden in Moldavië in 2009. Volgens sommige analisten was het de opkomst van sociale media die de Arabische Revoluties mogelijk maakte en zo zou de ‘facebook-generatie’ hun ‘democratische eisen’ kenbaar kunnen maken. Het internet zou zo leiden tot een democratische, vrije wereld. Ook in België gebruiken mensen steeds meer sociale media om politiek te participeren:  blogs, fora, facebook-events creëren een ruime waaier aan mogelijkheden om zich te engageren. Een recent voorbeeld is de Shame-betoging, waar via Facebook duizenden mensen gemobiliseerd werden in een betoging voor een nieuwe regering.

 

De eerste vraag die vanuit de puike inleiding werd voorgedragen was: Kunnen we de recente omwentelingen in de Arabische wereld mediarevoluties noemen?

In de inleiding werd deze stelling verworpen. Mensen maken de revolutie, geen technologie. De sociale strijd zou nooit haar uiteindelijke vorm krijgen die ze heeft zonder de media, maar de media bepalen paradoxaal niet hoe de strijd er uit zal zien in haar uiteindelijke vorm. Media zijn belangrijk als drager en in het proces van beeldvorming, maar door te focussen op de rol van die sociale media in de klassieke media, wordt er gezwegen over de werkelijke redenen van de revolutie. Zo framen de media zelf hun beeld van de revoluties. In bepaalde rechtse media werd er gevreesd voor de opkomst van het moslimfundamentalisme, ook al speelde deze slechts een beperkte rol bij de opstanden.

Ben Ali, Mubarak, Khadaffi en nu ook Bhasshar All-Sad werden afgeschilderd als baarlijke duivels tegenover een Twitterende hoogopgeleide jeugd die vrijheid wil. Beide vormen een erg beperkte en gekleurde versie van de realiteit. De Arabische revoluties werden zo uit de context van stijgende voedselprijzen, imperialistische geopolitiek, economische crisis getrokken, maar simpelweg als een spel tussen goeden en slechten. Het is zoals de inleider het stelde: Twitter komt niet op straat. Dit is een bevinding die veel bijval kreeg van de leden van de discussigroep. Eén van de redenen waarom de rol van facebook zo tot de aandacht sprak is, dat de meeste actieve nieuwszenders in de regio, zoals Al-Jazeera, als onbetrouwbare bron werden gezien door vele westerse persagentschappen. Bovendien is Facebook en Twitter een gemakkelijke en goedkope bron van informatie. Men moet geen journalist meer naar daar sturen om interviews af te nemen, want Twitter brengt deze live.

Ik zou erg graag het belang van woordkeuze zoals facebookrevolutie of revolutie benadrukken, omdat het veelvuldig gebruik hiervan de waarde van deze woorden volledig te niet doet. Dit leidt tot Orwelliaanse situaties waar vrijheid= slavernij, oorlog=peace en onwetendheid= kracht wordt. Ook in de westerse reactie op de situatie in Libië zien we het belang van discours. Europese politici van groenen tot conservatieven riepen op tot een ondersteuning van democratische oppositie en creëeren consensus over lege begrippen als solidariteit en vrijheid, waarden waar geen weldenkend mens tegen is. Ondertussen krijgen we sporadische beelden van bombardementen van militaire doelen en geruststellende berichten over het feit dat ‘onze jongens’ geen burgerdoden veroorzaken. Het doel is niet louter langer de ‘no-fly zone’ beschermen, de onbetrouwbare Libische regering moet weg en zo worden de geesten langzaam gecreëerd voor een grondoorlog in naam van de democratie en burgerrechten.

Ik denk en mijn denken baseert zich op wat er ook in de discussie aan bod kwam, dat we de media as such, niet als het grote probleem moeten zien. Er werd terecht aangehaald dat de machtsconcentratie steeds meer in de handen komt van enkele machtige spelers. Dat de berichtgeving vaak triviaal is, met meer aandacht voor fait divers dan over de kernramp in Japan is volgens mij geen uiting van een politieke wil om het volk dom te houden. Media is altijd politiek gekleurd geweest, of het nu een gepolitiseerde krant is, ten tijde van de verzuiling of een krant als ‘The Independent’. Wat niet wil zeggen dat er geen journalistieke moraal, ethiek of kwaliteitsnormen dienen te bestaan. Een goede krant zou verschillende stemmen aan het woord moeten laten. Ik denk dat de aandacht voor fait divers door zowel de mediaproducenten als door de gretige consumenten, niet echt een vorm is van een slinkse ideologie om de mensen doelbewust dom te houden.

Binnen het kapitalisme is nieuws een product zoals een ander en leuke, gemakkelijke feitjes of smeuïge roddels gaan er gemakkelijk in bij de consument. Er bestaat een markt voor goedkope tabloids, maar ook een rol voor kwaliteitsvolle media die meer inzicht bieden. Zelfs het werk van Karl Marx is in onze samenleving, koopwaar als een ander. Scholing, politieke achtergrond, uw omgeving en media-educatie bepalen naar wat voor informatie je grijpt en welke bronnen je  raadpleegt. Iemand haalde daarom terecht het belang van een vak als historische kritiek aan om te leren om te gaan met de stortvloed aan informatie in onze samenleving.

Hier werd dan weer terecht tegen opgeworpen dat media actief filteren en issues uitkiezen. Al vaker werd tijdens discussies de vraag opgeworpen waarom we in de Belgische media niets te horen kregen over de strijd tegen het Contrat Première Embauche of de pensioenhervormingen of ook sociale strijd in België. Kleuren economische en nationale belangen niet al te vaak de nieuwsproductie?

Ik denk niet dat we de media zomaar mogen afdoen als spreekbuis van de heersende klasse, noch als neutrale berichtgever van wat er in de wereld gebeurd. Ik denk dat media vooral een rol spelen in het bepalen waarover men denkt, ipv invloed uit oefenen over wat men zegt of denkt. In de premoderne maatschappij zonder massamedia beperkte de levenssfeer en bijhorende publieke sfeer van debat, zich grotendeels tot de streek waartoe men behoorde. Slechts weinigen hadden veel contact daarbuiten. In de geglobaliseerde wereld anno 2011 bepalen media veel meer deze publieke sfeer. Zonder media zouden we immers niet weten wat er gebeurt is in Japan en Libië. Het internet en de sociale media zijn moeilijker te controleren, maar worden nu evengoed door het ‘establishment’ gebruikt. Ze werken steeds meer in synergie met de klassieke media of machtscentra (de CIA heeft 9128 vrienden op Facebook en de KGB heeft er 4129) en worden op die manier ook gekanaliseerd. Overheden hebben nu ook wel geleerd hoe om te gaan met die sociale media en zullen zich niet meer zo laten verrassen zoals in Tunesië.

Dat was ook een volgende aandachtspunt in de discussie. Biedt het internet en de sociale media specifiek echte kansen voor politieke organisatie en een radicale verandering van de samenleving? Er werd aangehaald dat er nu heel veel informatie is, maar ook veel versnippering en niet altijd kwaliteitsvol.

Moeten we dan pessimistisch zijn over de kansen van de sociale media? Facebook biedt een goede manier om te organiseren en tot actie te leiden.Er zijn inderdaad nieuwe blogs ontstaan en nieuwssites zoals De Wereld Morgen of Indymedia die nieuws en duiding brengen die onderbelicht blijven in de klassieke media. Ook in 1917 de in jaren 1960-1970 ontstonden talloze nieuwe krantjes en mediakanalen. In 1968 was er de stencilmachine die studenten verzekerde van goed propagandamateriaal. De dag van vandaag gebruikt men Facebook. Het internet biedt dus eerder kansen dan bedreigingen, maar haar rol moet niet overschat worden. Er staat ook veel desinformatie op het internet en er bestaat het risico dat vele sociale media of internetwebsites vooral mensen blijft aanspreken die al hetzelfde denken of sowieso politiek actief zijn.

Naar een strijd om positie?

Een denker die veel heeft geschreven over de rol van media en ideologie heeft is Gramsci. Hij stelde de vraag of sociale verandering het best kon gerealiseerd door een overname van de staat, een strijd van manoeuvre, of door een overname van de civiele kanalen van het kapitalisme zoals de media, wat hij de strijd om positie noemt. Gramsci stelde een strijd om positie voor. Eerst moet de werking van ons systeem in vraag gesteld worden via de media, vakbonden, jeugdbewegingen, ziekenfondsen en dan pas moeten we frontaal de staat aanvallen, stelt Gramsci. Het is pas door de ideologie van de civiele maatschappij te veranderen dat er dus ook een omverwerping van het kapitalisme mogelijk gemaakt kan worden, omdat anders alle pogingen tot emancipatorische sociale verandering zullen mislukken of ingekapseld in het systeem zullen worden. Gramsci verzette zich dan ook erg tegen bepaalde denkers die stelden dat de desintegratie van het kapitalisme, vanzelf tot klassenstrijd en sociale verandering zou leiden. Dat was dan ook de tweede vraag van de discussie, die echter minder benantwoord werd. Als we sociale verandering willen, moeten we dan een strijd om positie voeren over de media? Moet de media meer gepolitiseerd worden als zij de publieke sfeer deels overgenomen heeft.

Een kameraad haalde aan dat het utopisch is om de ideologische instrumenten van de heersende klasse over te willen nemen zoals Gramsci voorstelt (al zal Gramsci zich verzetten tegen het beschouwen van de civiele maatschappij als spreekbuis van de heersende klasse). Men heeft het geprobeerd, maar men stuit steeds weer op dezelfde muren. Iemand anders haalde aan dat de keuze tussen strijd om manoeuvre en positie, een valse keuze is. Wikileaks was bijvoorbeeld een frontale aanval op de VS, maar wel via een mediakanaal. Wikileaks mag nu misschien geneutraliseerd zijn, ondertussen blijkt er al Openleaks te zijn.

Uiteindelijk bleek het inderdaad dat sociale strijd niet zonder media kan en deze mee vorm geeft, maar dat die sociale strijd steeds veroorzaakt wordt door reële condities. Als men sociale verandering/revolutie wenst dan moet men trachten de propaganda te doorprikken en debatten niet laten beperken tot een consensus, maar open trekken en verschillende discussies met elkaar te verbinden. Een discussiegroep als Spartacus biedt hier mee gelegenheid voor.

Reflectie over de discussie

Zelf vond ik het een fijne discussie die wederom in een erg aangename en respectvolle sfeer plaatsvond. Deze discussie was ook wat minder theoretisch/academisch en wat concreet. Er werd opgeroepen om op het forum, de tweede vraag over het politiseren van de media verder uit te werken.

De olgende discussie zal plaatsvinden op 17 mei, om 19h30 in Café Multatuli en zal gaan over Kernenergie. In die zin is het een verderzetting van de discussies over ecologie, technologie en natuurrampen waarvan de inleidingen en discussieverslagen op het forum te vinden zijn. Billy schrijft de inleiding en aankondiging en plaats deze op het forum. Er werd ook besloten om de toegang tot de mail en blog verder te verspreiden. Eén kameraad uitte zijn bezorgdheid over de situatie waarin al het werk bij 1 of 2 personen komt te liggen. Er werd hem op het hart gedrukt dat Spartacus ook volgend jaar actief zal blijven,als hij er niet bij kan zijn en dat de continuïteit van de discussiegroep verzekerd zal worden.

One Response to “Verslag – Media en sociale strijd”

  1. Yann juni 10, 2011 at 9:34 pm #

    Ik wilde toch nog even zeggen ivm de “continuiteit van de discussiegroep” dat niemand die van mij MOET verderzetten. Ik hoop natuurlijk dat er mensen zijn die verder willen doen, maar daar kan ik niet over beslissen. Ik stel wel voor dat de taakverdeling wel beter wordt afgesproken. Ik heb een ‘to do’ lijstje opgesteld en zal het binnenkort nog eens als comment ergens bijzetten. Nog veel succes met eventuele examens, papers en thesissen!

Leave a Reply